Homonen

23 mei, 2010 door vincent-van-dijk

“Dit weekend mogen we helemaal los! We zijn maandenlang braaf geweest en niet vreemdgegaan. Zelfs niet gepijpt. We moesten onszelf grondig laten testen en mochten daarna niets meer doen. Maar de eitjes zijn nu bevrucht en dat gaan we vanavond vieren.” Een vriend kijkt me vrolijk aan. Even denk ik dat hij een grapje maakt. Kinderen? Zij? “Ja, we zijn echt zwanger. We willen echt kinderen.” Hij is niet de enige. Ik hoor het overal om me heen. De homotrend van dit moment.

Vroeger hadden alleen vrouwen nestdrang. Oxytocine en andere knuffelhormonen gierden dan door hun lichaam en ze gingen wanhopig op zoek naar een man die het allemaal wel best vond en zijn condoom even aan de wilgen hing. Een paar maanden later ging de man dan naar de Gamma om een pot verf voor de babykamer te kopen en vervolgens kregen wij vrienden te horen dat hij niet meer mee kon naar kroegen en clubs omdat hij steeds zo vroeg op moest. Dan kon ik weer een heterovriend deleten in mijn adressenboekje. Gelukkig waren er altijd voldoende homo’s om me heen die in het leven niets meer deden dan werken en uitgaan.

Nu hoor ik opeens allemaal jonge homostellen om me heen die kinderen willen. Met de snelheid waarop in de jaren ’80 het AIDS-virus werd verspreid, steken de twintigers- en dertigershomo’s elkaar nu aan met deze kinderwens. Is dit slecht? Nee, ik zal niet beweren dat kinderen slecht zijn. Waar ik me wel zorgen over maak is dat de jonge homo’s erover praten alsof het de allernieuwste accessoire is. “Ja, die nieuwe Prada-zonnebril moest en zou ik hebben. Hij is vet, hè? Oh, trouwens, we hebben besloten dat we ook een kind nemen.”

Zijn ze zich wel bewust dat ze minimaal 20 jaar aan deze kinderen vastzitten en niets anders meer kunnen doen? En dat opvoeden wel iets meer is dan nieuwe kinderschoenen uitzoeken? En dat het helemaal niet zo vanzelfsprekend is dat je mensen, zonder ze hierin de betrekken, in deze zeer complexe wereld zet? Willen ze iets hebben dat hen bindt, zodat ze de ‘zekerheid’ hebben dan ze voor eeuwig bij elkaar blijven? Is het de laatste fase van de gaymancipatie in Nederland? Of maken wij mannen steeds meer vasopressine aan?

Al die homojongens blijken opeens ook een goede vriendin te hebben die graag kinderen wil. Natuurlijk, want die hormonen gonzen nog steeds door dat vrouwenlichaam en er zijn genoeg meisjes die geen zin hebben in een relatie met een vent of de ware nog niet zijn tegengekomen. En wat is er handiger dan zwanger worden van twee schatten van jongens die allebei een bijdrage willen leveren aan de opvoeding van het kind? De ene vader kan zich helemaal storten op het uitzoeken van de juiste kinderkledingsets, terwijl de andere zich bezighoudt met het interiordesign van de babykamer. En het voordeel is: het is niet nodig om seks te hebben, want de zaadcocktail kan gewoon door een arts worden ingespoten. Lekker snel en safe.

Gisteren waren mijn neefjes bij me op bezoek. Voortdurend kwamen er mensen lachend naar me toe om te vertellen dat ik zulke leuke kinderen had en dat ze zo op me leken. Nog nooit had ik zoveel complimenten gehad en ik groeide in mijn vaderrol. Nooit eerder voelde ik me zo mannelijk en gewild. Iedereen begon een gesprek met me, lachte naar me, liet me voorgaan. Zelfs in Amsterdamse cafés zag het personeel me opeens zitten.

Na vier uren was ik doodmoe en zat ik onder de blauwe plekken, terwijl mijn zus er nota bene bij was om op de jongetjes te letten. Toen ik ze op de tram had gezet dacht ik: kinderen zijn erg leuk, maar niet om zelf te hebben. Mijn wereld zou wel erg klein worden. Mijn carrière, mijn vrienden, mijn uitgaansleven. Er zou niets van overblijven!

‘s Avonds kwam ik de homovriend weer tegen. Hij stond een andere jongen te versieren. “Is de babykamer al klaar?” vroeg ik hem lachend. “Nee, het gaat niet door. De bevruchting is niet goed gegaan. We zien er nu maar vanaf. Veel te veel gedoe, kinderen. We hebben nu maar samen een vakantie geboekt naar Bali. Ook leuk.”

Elitehaver

24 april, 2010 door vincent-van-dijk

Een restaurant waar alleen maar grijze echtparen zitten is per definitie geen leuk restaurant. Een hotel waar alleen maar toeristen zitten is nooit een leuk hotel. Dat weet ik inmiddels uit ervaring. Een goede sfeer ontstaat pas door een mensenmix. Oud, jong, hip, klassiek. Waarom? Geen idee. Omdat we dan iets hebben om naar te kijken of om over te praten? Of omdat een restaurant of hotel dan menselijker wordt? Een afspiegeling is van de echte maatschappij? Misschien is er geen verklaring.

De kleuterschool is een leuke blend. Dom en slim, blond en zwart. Alles krioelt door elkaar. Afgezien van de kleuterscholen in zwarte of blonde buurten. Ook de basisschool is nog een vergaarbak van verschillende culturen en opleidingsniveaus. Maar daarna begint het. Je komt terecht tussen dezelfde diersoorten. Eerst op de middelbare school, daarna wordt het nog erger op de hogescholen en universiteiten. Om de onderlinge verschillen nog kleiner te maken worden we het liefst lid van dezelfde studentenvereniging, waar we ook nog binnen een select clubje onze soortgenoten zoeken en de laatste verschillen verstoppen achter een gelijke stropdas. De partymix wordt eenheidsworst. Als we daarna gaan werken wordt dit vaak niet veel beter.

Sommige mensen vergeten dat de politiek leuk is door de diversiteit. De Tweede Kamer is een kleuterklas met mensen die van dieren houden en jongetjes in stropdas. Dwars door elkaar heen. Een kakelbont gezelschap. Alleen in aanloop naar de verkiezingen zoekt iedereen zijn eigen jaarclub op en dragen ze even dezelfde kleur stropdas. Het is de bedoeling dat deze daarna weer lekker afgaat, zodat de sfeer in de klas weer gezellig wordt. Er worden samen plannetjes gesmeed, zodat we met elkaar door een deur kunnen. Dan blijken we eigenlijk allemaal hetzelfde te willen: een leuke sfeer en we willen verder.

Steeds meer mensen om mij heen, weten niet meer wat ze moeten stemmen. Ze kijken nu angstig naar de verschillende kinderen in de klas die van alles roepen. Soms zijn ze het ermee eens, soms ook niet. Opeens worden we gedwongen om achter een bepaalde kleur das aan te lopen of uit te spreken dat we van dieren houden. Of niet van buitenlanders. Eigenlijk heel onnatuurlijk om achter één bepaalde partij aan te lopen. Het heeft iets simpels. Waarom ziet iemand er in een zelf samengestelde kledingset van verschillende merken, duur en goedkoop er meestal geraffineerder uit dan iemand die van top tot teen in hetzelfde merkje loopt? De mix maakt de mode.

Wat zou het fijn zijn als we niet meer op een partij hoeven te stemmen, maar zelf een ideaal kleurpallet zouden kunnen samenstellen. Een beetje economie van de VVD, een beetje milieu van Groen Links, een beetje sociaal van de PvdA, een beetje duidelijkheid van PVV. Maar helaas, dat kan nog niet. De Nederlandse politiek is geen keuzemenu, maar een daghap.

Wat voor mij het dichtst in de buurt komt is D66. Deze partij wil van alles een beetje, op een intellectuele manier in balans gebracht, vanuit een positief gevoel. Per onderwerp worden opnieuw afwegingen gemaakt, waarbij de zaak van alle kanten wordt belicht. Weliswaar door een groep mensen die vooral hoogopgeleid en blank is en binnen de ring woont, maar liever elitehaver dan helemaal geen mix.

Lachmarokkanen

22 februari, 2010 door vincent-van-dijk

Op de middelbare school stond in ons Franse leerboek een geel handje met de tekst Touche pas à mon pote. Kom niet aan mijn vriendje. De krachtige straattaalslogan van ‘SOS Racisme’. Het maakte toen grote indruk op me. Al dacht ik aanvankelijk dat het een actie was tegen Franse potenrammers. Ik bedacht dat je soms iets meer moet doen dan tolereren. Soms moet je duidelijk iets of iemand een halt toe roepen. Je uitspreken.

Al een jaar ben ik bezig met de meest kleinschalige campagne die ik ooit heb gevoerd. Onbetaald, maar niet onsuccesvol. Ik heb mezelf voorgenomen om elke dag te lachen en als het kan een leuke opmerking te maken naar tenminste EEN persoon met Marokkaanse roots. Elke dag. Het klinkt soft, maar dit is een briljante manier om een leukere maatschappij te bouwen. Met elkaar in gesprek te komen.

Het is inmiddels uitgegroeid tot een verslaving. Het is de uitdaging om de meest stoere Marokkaan zover te krijgen dat hij teruglacht. Of nog beter: een leuke opmerking geeft. En misschien zelf even een boksbeweging maakt. It makes my day. En het werkt! Ik krijg elke dag een lach en leuke opmerking terug. Of een boks (zonder blauwe plekken!). 

Langzaam nemen vrienden en bekenden mijn project over. Ze zien hoe leuk deze sport is en wat er gebeurt. Het mooie is: het kost niets. Geen geldverslindende Postbus51-campagne, maar gewoon een gratis glimlach. En op wat botoxslachtoffers na, kan iedereen probleemloos meedoen.

En er valt ook steeds meer te lachen. Het positieve aan alle negatieve uitlatingen van Wilders over de Islam en over de (voormalig) Marokkanen in Nederland is, dat er de laatste tijd een groep mensen opstaat die hier geen trek meer in hebben. Die zich gaan verenigen om de strijd met deze verkilling tegen gaan. Ik ben dus niet de enige. Het resultaat is dat de Marokkaan (lees: de medemens met een Marokkaanse achtergrond) zich weer langzaam beter op zijn gemak lijkt te voelen in Nederland.

Hij ziet dat er twee soorten mensen zijn: de nieuwsgierige en de bange mens. De nieuwsgierige mens stelt zich open voor andere culturen en gewoonten, de bange mens is xenofoob. Alles wat anders is, en van ver komt is eng. Hij ziet dat hij zich niet moet richten op de bange mens, maar dat ze zich moeten mengen met de nieuwsgierige mens. Op den duur begrijpt de bange mens ook wel dat zijn angst nergens op gestoeld is.

Het gaat dus langzaam beter. Als ik een jaar geleden na een met Marocs sprak, dan proefde ik een intense woede. Ze wilden weg uit Nederland, ze voelden zich in een hoek gedrukt en dit zou een keer gaan ontploffen. Misschien wel letterlijk. Als ik nu met hen spreek, dan lijken ze rustiger. Ze staan ver boven de uitspraken van Wilders en trawanten en hebben zelfs medelijden met de man. En ze zien in dat een steeds groter groeiende groep voor hen opkomt. Van zich laat horen. En telkens hoor ik dat ze, als ze al gaan stemmen, kiezen voor D66. Ja, er valt dus wat te lachen. Uiteindelijk wordt het zure negativisme verbannen. Wie het laatst lacht…

Blowtels

14 februari, 2010 door vincent-van-dijk

“Ze komen binnen als mensen en gaan weg als beesten,” zegt de herbergier. “Er kwam hier altijd een heel nette Italiaanse man. Op een gegeven moment liep hij naar beneden en kleedde zich uit. Eerst zijn bovenkleding, toen zijn broek. Naakt stond hij in het midden van de zaak. Zijn ogen waren gebroken. De politie en ambulance kwamen hem halen. ‘Paddenstoeltjes’, zei de politie. De volgende dag kwam hij terug. Hij wist zich niets meer te herinneren. Gelukkig had ik alles op video opgenomen. Met verbazing keek hij naar zichzelf. Daarna is hij nooit meer teruggekomen.”

De tweede maand van mijn hotelavontuur is het al duidelijk. Mensen komen vanuit de hele wereld naar Amsterdam voor wiet, zwammen en andere heerlijkheden. Zelfs in de duurste hotels hangt een weeïge wietlucht in de gangen. Chique lobby’s zitten vol met sloom kijkende pubers. Jeugdherbergen staan bol van de hasjlucht. Gezelligheid alom, maar hoteleigenaren klagen over afgeplakte brandmelders en kamers die volledig worden afgebroken. “Soms zetten ze twee bedden op elkaar en slapen ze eronder,  op de grond. Doodsbang.”

Uit andere hotels hoor ik verhalen over mensen die uit het raam zijn gesprongen, midden in de kamer plassen, agressief worden. Een van de weinige hotels waar ik geen enkele overlast zag, was een met een inpandige coffeeshop. Misschien is dat ook wel de oplossing. Alle ontbijtzaaltjes ombouwen tot coffeeshops. Geen bak met lauwe eitjes, witte boterhammen en doosjes hagelslag, maar schalen Marihuana, poppers en hasjiesj. Keurig voorgerolde stickies, in een plastic buisje met het hotellogo erop.  Bij de betere hotels ook luxe flacons met GHB. Zo kunnen hotels hun gasten zelf een beetje in de hand houden. Als je op de kamer wilt blowen, hang dan voor middernacht een label aan je deur. Roomservice wordt blowservice.

Misschien komen al die mensen ook niet voor de drugs maar denken ze dat Amsterdam een museumstad is. Zijn ze in de maffe veronderstelling dat ze hier uren kunnen dolen door een Rijksmuseum, Stedelijk Museum of Hermitage. Naïeve kunstliefhebbers. Misschien is de rij van het enige museum dat momenteel wel open is zo lang, dat ze uit pure wanhoop maar naar een paddoshop gaan. Ze eten dan net zoveel paddenstoelen dat ze vanzelf moderne kunstwerken zien. De kunst van het hallucineren. Een indrukwekkend vormspel van kleuren en lijnen. Daar kan geen Rembrandt of Mondriaan tegenop.

Zonder zwammen. Moeten we ons vrije en blije drugsbeleid niet toch maar weer eens even kritisch tegen het licht houden en niet al te bang zijn dat we ons tolerante imago kwijtraken? Met bepaalde partijen zo hoog in de peilingen, lijkt van dat imago toch al weinig meer over, dus wat hebben we te verliezen?

Fout-Zuid

23 januari, 2010 door vincent-van-dijk

“Je lijkt wel een smurf! Je handen zijn helemaal blauw,” zegt mijn tafeldame tegen de jongen die tegenover me zit. “Dat is mijn nieuwe spijkerbroek. Die geeft af. Maar ik mag hem niet wassen, want daar is hij veel te duur voor. Vierhonderd euro. Deze spijkerbroek kan alleen gestoomd worden. En niet meer dan twee keer per jaar. Alleen mijn stomerij wil het niet meer doen. Als ze weer zo’n spijkerbroek zien, dan raken ze helemaal in paniek. Iedereen loopt ineens in deze broek. Ze worden echt gek, bij mijn stomerij. Morgen vlieg ik naar de States. Moet ik nog zo’n broek voor iemand meenemen? Ze zijn daar echt veel goedkoper. Ik ga er ook nog een paar kopen. Ik trek wel elke dag een schone boxer aan, maar ik vind het toch wel een beetje vies, als je maar twee keer per jaar je broek kunt laten stomen. Ik moet dus gewoon meer van die broeken hebben.”

We zitten aan tafel in Oud-Zuid. Om me heen wordt gepraat over onbetaalbare auto’s en spijkerbroeken die te duur zijn om te wassen. Ik voel me heel alleen. Het liefste zou ik stilletjes de ruimte verlaten en mensen opzoeken die weten waar het leven om gaat.

Opeens begint een jongen over een nieuw boek dat hij heeft gelezen. Over spiritualiteit. Dat je je niet moet ergeren aan een supermarktrij, maar dat je de wachttijd kunt gebruiken voor meditatie. Zen. En dat je niet in de toekomst moet leven, maar in het heden. Je moet niet fantaseren over een nog grotere auto, maar genieten van de auto waarin je rijdt. Dat het gaat om het genieten van kleine dingen. Niet om materiële zaken.

Het gespreksonderwerp is gelukkig veranderd. Even valt het stil aan tafel en iedereen luistert aandachtig. Dan krijgt de jongen bijval. “Ik ben het helemaal met je eens. Ik begrijp precies wat je bedoelt! Wat leuk dat je dat zegt! We hebben net een bootje gekocht, en als ik dan vaar met een wijntje en een kreeftje aan boord, dan komen we helemaal tot rust, hè, popje? Ik ben nu aan het kijken naar een grotere boot, want het is wel gezellig om af en toe ook wat vrienden mee te nemen.” De smurf mengt zich in het gesprek. “Ja, heerlijk zo’n schuit. Ik ben ook op zoek naar wat groters, want op zo’n grote boot kom je pas echt tot rust.. Misschien moet ik dat boek ook eens lezen. Waar kan ik dat kopen? Echt belangrijk, hoor, een beetje genieten van het leven. Goed man.” Iemand anders vult aan:
“Ja, super. Ik heb dat op Sint Maarten. Tenminste een keer per jaar vlieg ik daar naartoe. Heerlijk, dan kom ik helemaal tot rust. Is belangrijk, hoor. Met hard werken is niets mis, maar af en toe moet je gewoon even weg. Even er tussenuit. Denk dat ik binnenkort weer even ga.”

“Dat is niet helemaal wat hij wil zeggen,” probeer ik het gesprek weer terug te buigen. “Hij probeert te vertellen dat het niet gaat om materiële zaken. Hij bedoelt…” De zen-jongen schudt wijs zijn hoofd. “Iedereen moet het leven zelf ontdekken,” fluistert hij zachtjes.

Als ik vertel dat ik al mijn bezittingen heb weggegooid en erachter ben gekomen dat je eigen persoon het belangrijkste bezit is in je leven, kijkt iedereen me glazig aan. “Dus je leeft als het ware uit je auto? Hoe bizar is dat? Nou, ik heb net een nieuwe auto, en daar zou ik ook in kunnen leven, hoor. Is belangrijk, hoor, een goede auto. Daar breng je ongemerkt toch een groot deel van je leven in door.” Als ik vertel dat ik ook geen auto meer heb, valt het gesprek helemaal stil. Iedereen staart me aan, alsof ik een gemuteerd buitenaards wezen ben.

“Zijn er nog poppels?” vraagt de smurf. “We moeten inderdaad een beetje genieten van het leven.”

Fantoompijn

7 januari, 2010 door vincent-van-dijk

Het enige bezit dat ik nog had, na al mijn spullen in een afvalcontainer te hebben gegooid, dat was mijn iPhone. Hier stond ik mee op en ging ik mee naar bed. En in bad.

Het nieuwe jaar is dramatisch begonnen. In een drukke kroeg werd dit machtige apparaatje uit mijn zak gehaald. Ik voelde direct dat ik iets miste. Blinde paniek! Fantoompijn. De iPhone was inmiddels een deel geworden van mijn lichaam. Neem een nier af, of amputeer voor mijn part mijn voet, maar waarom mijn iPhone?

Toen ik de barman vertelde wat voor groot onrecht mij was toegedaan, zei hij niets, maar overhandigde hij me routineus een kaart waar ik mijn gegevens kon invullen. De toiletjuf kwam naar me toe, en verklaarde me voor gek. Ik had toch niet mijn telefoon in mijn broekzak gelaten? In mijn broekzak? De volgende keer moest ik alles bij de garderobe afgeven. Levensgevaarlijk, met al die Roemeense zakkenrollers. Dit gebeurt dagelijks in deze kroeg.

Fijn. Ik heb dus geleerd dat ik niet meer uit mag gaan met mijn iPhone. In wat voor land wonen we, dat we niet meer kunnen uitgaan met onze telefoon?

Toen ik T-Mobile belde om het vreselijke nieuws te vertellen, vroeg de T-boy of ik verzekerd was. Gelukkig had ik besloten om dit belangrijke levensbezit te verzekeren en kon ik volmondig JA antwoorden. Na twintig minuten wachtmuziek, vertelde de lieve telecommer dat zakkenrollen niet gedekt was. Alleen met braakschade of na lichamelijk geweld, kon ik een nieuwe iPhone krijgen. In 2012 loopt mijn contract af, en kan ik weer een nieuwe telefoon krijgen. Het contract afkopen was niet mogelijk. 2012. TWEEDUIZEND-EN-TWAALF. Hoe moet ik twee jaar lang leven zonder iPhone? Zonder huis, en zonder bezit, dat lukt nog wel. Maar zonder iPhone? Het gesprek met T-Mobile eindigde met de vraag of alle problemen waren opgelost. Ik besloot mijn boosheid om te zetten in een keiharde schaterlach, want mijn voornemen voor 2010 is dat ik niet meer boos word.

Fijn. Ik heb dus geleerd dat het geen zin heeft om je telefoon te verzekeren. In wat voor land wonen we, dat we onszelf niet meer kunnen verzekeren tegen diefstal?

Op mijn tijdelijke toestel regende het afgelopen dagen SMS-jes. Aan iedereen moest ik dezelfde vraag stellen: WIE BEN JIJ? Ik wil weer weten wie mij belt. Ik wil weer weten welke richting ik moet uitlopen. Ik wil mijn mail weer kunnen checken en de hele dag kunnen Googlen. Ik denk dat ik een blog ga schrijven, in de hoop dat T-Mobile tot inkeer komt en mij met een spoedkoerier mijn leven teruggeeft.

Hotelhoppen

30 december, 2009 door vincent-van-dijk

Papegaaienkooien vol koffers,  trolleys met minizeepjes en frisgewassen handdoeken, de haren van een wildvreemde op de toiletpot. Mijn halve jeugd speelde ik in een hotel en leerde daar de echte schijnwereld kennen. De voortdurende paniek in de back-office en de ogenschijnlijke rust aan de voorkant. Geheime voorraadkasten vol candybars waar we onszelf middagen lang vol lagen te vreten.

Hotels zijn de enige plek in Nederland waar mensen echt servicegericht zijn. Daar kunnen onze restaurants een ferme punt aan zuigen. Laatst werden mijn portemonnee en telefoon, lees: mijn leven, gestolen. Een normaal mens zou naar de politie zijn gerend, maar mijn paniekgolf voerde me direct naar het dichtstbijzijnde hotel. Ik werd opgevangen met een kop cappu en kreeg ik een eigen kantoor met telefoon en internet. De receptionist kwam met lijsten vol telefoonnummers die ik kon bellen om mijn creditcards en bankpassen te blokkeren. De troost die alleen een hotel kan bieden.

Hotels zijn de veilige vluchtpunten in een stad. Dat kreeg ik al met de paplepel ingeslagen. Een normale moeder laat haar kinderen plassen bij de McDonald’s of op een openbaar toilet. Mijn vader moest altijd als een soort Richard Bucket-Bouquet kilometers omrijden naar het meest luxe hotel, want voor minder dan 5 sterren lieten we het niet lopen.

Er is weinig nodig om me thuis te voelen in een hotel. Wherever I lay my iPhone, that’s my home. Het liefste zou ik als een oude Franse filmdiva de laatste 35 jaar van mijn leven in een hotel willen slijten. Mijn boodschappen doen in de minibar en me elke dag als een brief in een te krappe envelop tussen de opgemaakte lakens wurmen.

Vanaf 1 januari ga ik een jaar lang in hotels wonen. Ik start in het Park Hotel. Elke nacht ga ik in een ander Amsterdams hotel leven voor het project Amsterdam Slaapt. Dit leek me de enige manier om Amsterdam echt te leren kennen. Als een hotelnomade trek ik door de stad. Van luxe vijfsterrenhotel in hartje centrum naar achenebbishotel in een achterbuurt. Mijn ervaringen zijn dagelijks te lezen op de site www.amsterdamslaapt.nl en over ruim een jaar lig ik bij de betere boekhandel. Over twee jaar bij de Slegte.

www.amsterdamslaapt.nl

Godenzoon

19 december, 2009 door vincent-van-dijk

In een schimmige bar, ging ik twee plekken van een donkere man af zitten. Hij boog lachend zijn hoofd naar mij. “Hij was maar een neger.” Een Arabisch accent.  
“Maar je bént helemaal geen neger,” wierp ik terug. Ik schoof dichterbij.
“Nee, ik heb het nummer net thuis geluisterd. Zangeres Zonder Naam. Het zit nog in mijn hoofd.”
Ik reageerde dat discriminatie van alle tijden was.
“Het nummer was zeker niet discriminerend bedoeld. Het is juist een heel mooi kerstliedje dat de positie van de allochtoon destijds ter discussie stelt. Ik ben erg goed in tekstduiding, daar heb ik voor gestudeerd in Parijs.” Hij citeerde het laatste couplet, waarin de neger bij de kerstkribbe knielde en zich af vroeg of het kindje zo klein alleen voor blanken geboren zou zijn.

Ik kreeg het vermoeden dat Allah de laatste tijd aan de lopende band hoogintellectuele Arabs op me afstuurde. Sinds hij weet dat ik aan het bloggen ben geslagen, ziet hij mij plots als spreekbuis. Als de zoon die hij nooit heeft gehad. Misschien zag hij wel in dat dat het was waarom Hij en de andere Moslims zo vaak onder vuur liggen. God had wel een zoon en hij niet. Dat gaf zijn collega natuurlijk iets menselijks. Allah wil via mij duidelijk maken dat het best goed gaat in Nederland. Best een handige jongen, die Allah. Dat scheelt hem een duur PR-bureau.

Mijn bargenoot vertelde dat hij aan het wachten was op een Algerijnse vriend die een paar dagen op bezoek was. “Hij is nu aan het integreren. Hij wil hier in Amsterdam allemaal dingen doen die daar natuurlijk niet kunnen. Coffeeshops, darkrooms. Daar heb ik geen zin in, dus daarom zit ik hier.” Hij vertelde over zijn werk op Schiphol en dat hij nog niet een baan had gevonden die bij zijn studie past, maar dat dat ook moeilijk was na pas twee jaar in Nederland te hebben gewoond. Ik legde mijn arm om hem heen en vertelde dat ik trots op hem was omdat hij zo geweldig Nederlands sprak. Heel vaderlijk, precies zoals Allah dat gedaan zou hebben. Ik begon me steeds beter in mijn rol in te leven, ook al bood ik hem daarna een biertje aan. Hij sloeg het af en liep de nacht in.

Op weg naar huis over de verschoten rode loper van het Damrak, zag ik een smoezelige zwerfjongen schuilen in een portiek. Hij had duidelijk lang niet gegeten, maar zijn oogjes glansden. Hij stelde zich voor en ik vroeg in mank Italiaans of hij een hamburger wilde. Massimo maakte duidelijk dat hij geen hamburgers at, maar liever pasta en dat hij graag beltegoed wilde kopen. Hij had al dagen zijn familie niet kunnen bellen.

Ik herinnerde me dat ik in mijn arme-studententijd op exact dezelfde plek had staan uitleggen aan een ouwe zwerver dat ik geen geld had. Hij kon zich dat niet voorstellen, omdat ik er te chic uitzag in mijn jasje. Toen ik hem vertelde dat ik geeneens geld had voor een winterjas, drukte hij me een gulden in mijn hand. “Vrolijke Kerst, jongen.”

Ik besefte dat ik als zoon van Allah wel een aalmoes moest geven en trok een tientje uit mijn zak. De jonge Italiaan pakte zijn prepaid en vroeg om mijn nummer. Ik geef nooit geld, omdat de meeste bedelaars alleen drugs willen kopen en mijn nummer geef ik nooit aan vreemden. En al helemaal niet aan bekenden. Maar hem vertrouwde ik blind op zijn ogen. Hij vertelde dat zijn familie uit Algerije kwam, maar nu in Italië woonde en dat hij Amsterdam op vakantie was. Dezelfde avond kreeg ik een sms-je in gebroken Italiaans, waarin hij me bedankte en een fijne Kerst wenste. Ook namens zijn familie. Allah IS groot.

Garantiepost

11 december, 2009 door vincent-van-dijk

Bepakt met vier doosjes kwam ik bij een TNT Servicepunt, een veredelde brievenbus in een stomerij. Ik vroeg of deze de volgende dag bezorgd konden worden.
“Morgen?” De stoomkoning keek een beetje moeilijk.
“Morgen,” antwoordde ik. “Ze MOETEN er morgen zijn.”
“Dat zal moeilijk gaan. We hebben hier natuurlijk geen expresservice, maar misschien dat de pakketjes morgen aankomen.” Ik vertelde dat ik zeker moest weten dat ze morgen bezorgd zouden worden en dat misschien niet genoeg was. Het was voor de pers en journalisten hebben deadlines.
“Dan kan ik u de Garantiepost aanbevelen. Voor 9 euro per pakje heb je een Garantiepost. Kost wat, maar dan heb je ook wat.”
“Komen ze dan morgen aan?” vroeg ik naïef.
Misschien komen ze dan morgen aan,” verzekerde de postman. Maar het is natuurlijk al laat, dus misschien komen ze ook overmorgen aan.”
“Waarom heet Garantiepost Garantiepost, als er geen garantie kan worden gegeven?”
“Bij Garantiepost zou een pakket de volgende dag bezorgd moeten worden. Maar je weet het natuurlijk nooit. Het kan natuurlijk druk zijn in zo’n overslagcentrum en er kan van alles fout gaan, dus ik durf het niet te garanderen.” Nerveus bladerde de postboy door zijn TNT-handleiding. Stoom kwam uit mijn oren.
“Als u niet kunt garanderen dat deze pakketten met Garantiepost morgen zeker aankomen, dan breng ik ze liever zelf.”
“Ja, dat is de beste oplossing, dan weet u zeker dat ze er morgen zijn. En zo ver is het ook weer niet.”

TNT Post klaagt dat we minder post sturen. Postkantoren sluiten hun deuren, postbodes worden ontslagen. Okay, we e-mailen er op los, maar voor het sturen van pakjes is de bandbreedte helaas nog steeds niet groot genoeg. Met een goede pakketservice zou TNT Post zich best kunnen onderscheiden. Kennelijk is dit te ingewikkeld voor ons oude staatsbedrijf. Pakketten komen niet of pas na weken aan. Als je klaagt, dan krijg je na enkele weken een klachtenformulier.  Als je dit opstuurt, dan krijg je een volgend formulier. Of als het niet compleet is, dan stuurt de zure juf het terug. Net zo lang tot je het opgeeft of uit pure zelfmoord van een hoog gebouw springt.

Kleine koeriers beleven gouden tijden. Liever betalen  bedrijven iets meer, zodat pakketten worden opgehaald en meteen worden afgeleverd. Als het een uurtje later is dan beloofd, dan krijg je een telefoontje. DAT is service. Misschien is het een idee om de postshop, die gevestigd is in een supermarkt of een groenteboer voortaan geen Servicepunt meer te noemen. Dat is verneukeratief.

Met mijn pakketten onder de arm sprint ik naar de trein. De aangekondigde trein blijkt uit de vaart te zijn genomen, want de machinist wist niet dat hij dienst had en ze konden zo snel natuurlijk geen andere vinden.
“U kunt natuurlijk de Fyra nemen, maar daarvoor is een toeslag verplicht. Als die rijdt, want ik begreep net dat die vertraagd is…”

Uitgerangeerd

24 november, 2009 door vincent-van-dijk

Vanmorgen werd ik wakker met een jongen die 23 jaar niet in coma had gelegen, al dachten de artsen van wel. En toch was hij gelukkig dat hij leefde. Zo voelde ik mij vannacht ook. Ik was in slaap gevallen op een rangeerterrein. Verlamd lag ik te genieten van de stilte. De vermoeidheid van weken hard werken en verhuizen kwam opeens naar boven. Een gele schoonmaker hielp me uit de trein. Vaderlijk hand-in-hand over alle lege sporen. Het voelde als een droom.

Hij bracht me naar een taxistandplaats, waar een vriendelijke TCA-chauffeur (ze bestaan!) mij naar huis bracht. We kunnen door naar Parijs, grapte ik toen ik voldoende had gepind. “Parijs is een mooie stad, ik ben daar zwerver geweest.” Alsof het een baan is. “Daar is het niet zo erg om te zwerven. Er zijn altijd wel verwarmde plekjes in de winter. Dat is het beleid van de gemeente. Ze vangen je altijd op. Dat is anders dan hier.”

Ik vertelde de taxichauffeur dat ik me de laatste tijd schaam voor Nederland. Hoe ongastvrij ons land is ten opzichte van buitenlanders. Ik vond het een goed moment om mijn excuses te maken namens de hele Nederlandse samenleving. Hij verzekerde me dat dat niet nodig is. Dat er in elke cultuur mensen kortzichtige mensen zijn. Dat waar hij vandaan komt, Algerije, en in veel andere moslimculturen, ook weinig tolerantie is. Als je je niet precies binnen de aangegeven kaders gedraagt, dat je dan wordt verstoten. Of opgehangen. Dat Nederland nog best wel meevalt. Hij vertelde dat die mensen die niet van buitenlanders houden, zelf niet gelukkig zijn. Daar kunnen ze niets aan doen. Niet iedereen kan iets van zijn leven maken.

De taximan zei dat hij blij is dat hij in Amsterdam woont. Elke dag hoort hij weer van toeristen hoe bijzonder deze stad is. De stad waar alles kan, en waar alles mag. Dan is hij blij dat hij hier mag wonen en werken. Daar houdt hij zich aan vast. Natuurlijk moet je je aanpassen. Je moet de taal leren spreken om deel uit te maken van de maatschappij. Maar ook om je eigen werk leuker te maken.

“Amsterdam moet uitkijken dat het niet teveel een dorp wordt,” zegt mijn chauffeur. Met alle regeltjes en beperkingen. Amsterdam moet wel een wereldstad blijven, waar echt alles kan. Op de Wallen, de terrassen ook in de rest van de stad. Tolerantie heeft Amsterdam groot gemaakt en Amsterdam moet zo vrij blijven. Ik zei dat hij minister mag worden in mijn kabinet, maar hij bedankte voor de eer. Met tranen in mijn ogen stapte ik uit de taxi en viel ik in een echt coma.