Alle berichten bij ‘Uncategorized’

Requiem voor een Impeerium (II)

Zondag, 19 mei , 2013

De PvdA dwong Peer in te stemmen met een heel pakket aan voorwaarden (‘De nieuwe wethouder moest contractueel beloven dat hij de beloftes van zijn voorganger gestand zou doen en moest ook plechtig beloven dat hij zijn collega-wethouders geen oor zou aannaaien tijdens de begrotingsbehandelingen’), maar Peer deed het.

‘Als hij die ketting maar om zijn nek kan hangen’, zo meent Rob Goldsteen, collega-wethouder van Peer tijdens diens dagen in Amsterdam-Noord. ‘Daar was hij in Noord ook altijd op uit.’

In de gemeenteraad herhaalde het van Noord bekende patroon zich: afgeven op collega’s, zelf allerlei beloften doen, die hij niet inloste en tijdig vertrekken (De Groene Amsterdammer: ‘Peers veelgeroemde daadkracht is in het verleden nogal eens ontmaskerd als politiek illusionisme’ en ‘ook het laatste wapenfeit van Edgar Peer als redder van de Amsterdamse haven blijkt een luchtkasteel’). Dat sloeg op de door Peer voor 128 miljoen euro naar Amsterdam gehaalde Ceres-terminal, die drie VVD-wethouders later (Harry Groen, Geert Dales, Mark van der Horst) door Lodewijk Asscher in 2007 voor 48,7 miljoen euro verkocht werd aan de Japanse multinational NYK – die er na nog wat gemodder mee op besloot te houden. Typisch voorbeeld van ondernemertje spelen op kosten van de gemeenschap.

Dan reed Peer op de Leeuwarderweg met een dronken kop tegen een lantaarnpaal aan, maar ook daar blufte hij zich uit. Vermakelijk was zijn mededeling in het Stan Huijgens Journaal van de Telegraaf dat ik de oorzaak was van zijn politieke carrière: door het gedoe rond die asfaltering van de Hilversumstraat waren zijn verontwaardiging én zijn interesse gewekt.

Worstmachines

Ook nu weer konden we in de krant lezen wat voor grote toekomst er voor Peer weggelegd was na zijn afscheid als wethouder in 1998. Hij slaagde er in ieder geval in een baan te vinden: directielid van een worstmachinefabriek in Nieuwerkerk aan den IJssel. Tsja. Een paar jaar later stapte hij over naar de De Boer & Croon Groep – wat ik niet als bewijs van het onderscheidingsvermogen van dit adviesbureau zag. In 2007 verwelkomde de Amplan Groep Peer als directielid, maar deze projectontwikkelaar ging twee jaar later failliet. Hij begon vervolgens zijn eigen ‘Impeerium BV, vastgoed en gebiedsontwikkeling’.

Peer haalde nog twee keer het nieuws, maar niet door bestuurlijke of zakelijke heldendaden. In 2008 spande autodealer Hessing een rechtszaak tegen hem aan, omdat hij een Maserati teruggebracht had met 34.000 euro schade. Toen ik dat bericht nog maar net verwerkt had trof ik op Google Nieuws het grote nieuws aan dat ene Marisa van Kolck zich een verliefde puber voelde, en dat kwam niet door de eerste de beste:

De 47-jarige Van Kolck is tot over haar oren verliefd. De 49-jarige Peer is helemaal haar type. ‘Conservatief en klassiek. Alles klopt zo, dat ik het zelf nauwelijks kan geloven.’ Ze is zo in de wolken dat ze het liefst gelijk zou gaan samenwonen, maar haar verstand houdt haar nog tegen.

Requiem voor een Impeerium (I)

Vrijdag, 17 mei , 2013

Het buurtje rond de Hilversumstraat was het rond 1983 niet eens met het vervangen van klinkers door asfalt bij de reconstructie van de weg. Prominent aanwezig bij de actievoerders was de familie Peer. In 1985 verscheen jongste zoon Edgar op de verkiezingslijst van de VVD. Dat viel te begrijpen, want hij was het prototype van een snelle jongen: vlot, vrolijk, welbespraakt en oppervlakkig. Ik had eigenlijk meer op met z’n onberispelijk geklede fractiegenoot Buitendorp, die ik nog eens tegen kwam in een artikel over Nederlanders die een Engelse butleropleiding volgden.

Peer was er vooral op uit om de PvdA te behagen. Dat kwam tot uitdrukking in het raadsdebat over het commissariaat van Theo Fransman bij Shipdock. In de eerste termijn ging Peer daar fel tegenin, maar in de tweede termijn draaide hij om als een blad aan een boom, om uiteindelijk vóór te stemmen. Niet gehinderd door enige bescheidenheid vertelde hij in de Noord-Amsterdammer (3 april 1991) over zijn band met Theo Fransman:

Toen ik vijf jaar geleden in de raad kwam was ik de jongste daarvan. Omdat ik tegen Fransman opkeek zei ik meneer tegen hem. Na een poosje zei hij tegen me dat ik daar eens mee op moest houden. ‘Ik heb je nu een aantal keren in de raad gezien,’ zei hij, ‘en ik heb nu al door dat je mijn kroonprins bent. Zeg jij maar gewoon Theo.’ Ik ben inderdaad net als hij heel gedreven bezig om iets voor Noord te doen, maar of ik liever met hem in het DB had gezeten? Ik weet niet of we dan niet enorme ruzies hadden gehad. In een huwelijk moet je niet twee dezelfde karakters hebben.

Drie carrières

Peers opportunisme werd beloond: in 1988 werd hij wethouder en nam de portefeuille ruimtelijke ordening van Rob Goldsteen over. Hij had het onsympathieke trekje om bij kritiek alle verwijten door te schuiven naar zijn voorganger – die nota bene nog met hem in het dagelijks bestuur zat. Peer zou het uiteraard beter doen, maar vertrok wijselijk na één periode, zodat hij niet geconfronteerd kon worden met de niet nagekomen eigen toezeggingen. In de krant vertelde hij dat er van allerlei kanten aan hem getrokken werd: hij kon medisch specialist worden, het bedrijfsleven ingaan of misschien werd het toch een positie als staatssecretaris.

Tot mijn verbazing, want ik vond hem nou niet bepaald een briljant bestuurder (al was Ymkje de Boer van de PSP wél van mening dat het hier een bestuurlijk talent betrof, hoewel ze ook aantekende dat zij in 1985 vier jaar jonger was dan Peer, zodat deze nooit het jongste raadslid kon zijn geweest), kwam hij goed terecht als wethouder Economische Zaken in de stad. In

1996 volgde hij de naar Den Haag vertrokken Frank de Grave op als wethouder Financiën. De Groene Amsterdammer wijdde op 10 juli van dat jaar een lijvig artikel aan De coupe van Peer en op de bezwaren van de PvdA (Eberhard van der Laan!) tegen hem:

Peer heeft in het verleden de linkse goegemeente van de hoofdstad meermalen in de gordijnen gejaagd met zijn pleidooien voor deportaties van Zuidamerikaanse prostituees, verplicht laten afkicken van harddrugsverslaafden en het decimeren van het aantal coffeeshops. Bij een aantal PvdA’ers bestonden bovendien onoverkomelijke bezwaren tegen Peers onmiskenbaar machiavellistische stijl van politiek bedrijven. In zijn tijd als wethouder van Ruimtelijke Ordening en Volkshuisvesting bij de stadsdeelraad Noord (1990-1994) en ook in het college van de centrale gemeente toonde Peer zich een liefhebber van de betere politieke intrige. Op de cruciale post van Financiën, met permanent zicht op de noden van zijn collega-wethouders, zou hij dat talent op ongekende wijze kunnen botvieren.
Daarnaast was er de aloude klacht dat Peer te veel in de zak van zakelijke partners van de gemeente zou zitten. Al bij zijn aantreden als wethouder van Economische Zaken was daarover aan de bel getrokken binnen de gemeenteraad. Frank de Grave had toentertijd op verzoek van de burgemeester een speciaal onderzoekje naar Peers zakelijke connecties ingesteld, zo verzekeren doorgaans goed ingewijde bronnen in de Stopera. De Graves onderzoek naar de handel en wandel van zijn partijgenoot leverde toen geen bezwaren van zwaarwegende aard op. ‘De meeste Amsterdamse VVD’ers hebben nu eenmaal het probleem dat ze zeer nauw gelieerd zijn aan het zakenleven,’ aldus een ingewijde.

Mevrouw Jones maakte schoon

Woensdag, 15 mei , 2013

In die mooie pioniersjaren in Noord was het vaak niet helemaal duidelijk wat een wethouder deed en wat meer tot het ambtelijke domein behoorde. Zo verdiepte ik me eens in een burenruzie die via een milieuklacht uitgevochten werd. De klacht kwam van een bewoner van de Hendrik Soeteboomstraat, Dick te Slaa. Hij leek eerst vrij redelijk, maar later leerde ik hem van een andere kant kennen als manipulator in bewonersgroepjes. Hij heeft ook in de deelraad gezeten, voor de Belangenpartij Noord, maar is daar met knetterende ruzie vertrokken om vervolgens nog langs wat andere partijen te gaan shoppen.

De klacht dus. Die ging over vergiftiging van het grondwater door lysol. Dat bleek een schoonmaakmiddel te zijn. Volgens Te Slaa was mevrouw Jones een schoonmaakfanatica, die iedere dag liters van dat spul door de gootsteen en in de bodem joeg, waardoor zijn gezin vergiftigd werd.

Kersen

Dus fietste ik op een dag naar Oostzanerwerf om bij mevrouw Jones op bezoek te gaan. Een oudere, Surinaamse vrouw in een klein huisje, waar het naar ziekenhuis rook. Ze bleek al sinds jaar en dag met haar buren in onmin te leven. Dat was zo hoog opgelopen dat ze bijvoorbeeld een oude DAF permanent voor de deur geposteerd hield om er voor te zorgen dat Te Slaa zijn auto niet voor haar huis kon parkeren – wat door de buurman weer als een groot onrecht opgevat werd.

Het was een warme dag toen ik bij mevrouw Jones thuis kwam en ze serveerde kersen. Wees maar niet bang dat ik u vergiftig! zei ze spottend. Ze maakte inderdaad fervent schoon, wat ook duidelijk te ruiken viel, maar daar zag ze zelf geen kwaad in. Zo waren de gewoonten nu eenmaal waar zij vandaan kwam. Volgens mevrouw Jones hingen er vieze geuren in haar tuin, gooiden mensen er dode dieren in, deden ze er hun behoefte enzovoort. En dat moest schoon gemaakt worden.

Jannetje

Thuis vertelde ik Jannetje over mevrouw Jones en die kwam onverwacht in een ander licht te staan. Ze had Jannetje les gegeven op de lagere school, de Jan van Nassauschool aan het Wognummerplantsoen. Volgens Jannetje was ze een heel leuke juf geweest, die haar tienen gaf voor tekenen, vlijt en gedrag. Ik ben nog een keer teruggeweest in de Hendrik Soeteboomstraat. Mevrouw Jones begon te stralen: ja, Jannetje Koelewijn, dat was een lief meisje…

Ik vond haar vooral tragisch: een eenzame, oudere, vrome Surinaamse vrouw in een buurt waar ze geen contacten had. Als die buurt wat aardiger voor haar was geweest zou het zover niet zijn gekomen. Je zult maar zo’n buurman als die Te Slaa hebben (die naar verluid later richting Frankrijk verhuisde). De Milieudienst kon ook niets ernstigs vinden. Mevrouw Jones verdween uit mijn gezichtsveld. Maar soms denk ik nog: hoe zou het haar verder zijn vergaan?

Het CDA in Noord: zwakke broeder

Maandag, 13 mei , 2013

In de deelraadspolitiek in Noord behoorde de zes man sterke CDA-fractie niet tot de sterke broeders. Ze vormden daar geen partij voor de PvdA en de CPN. Als wethouder had ik niet veel last van ze – voor zover dat een criterium vormt. Werfeigenaar Louis Pietersen (tegen mij: ‘je wordt door het bedrijfsleven niet serieus genomen omdat je je niet fatsoenlijk kleedt’) met zijn wat morsige bonhomie kon aardig uit zijn woorden komen, maar dat zette nooit veel zoden aan de dijk. Henk Nieberg was een lichtgewicht, meneer Van der Steeg te oud om te volgen wat er gebeurde, Abel Tillema, de directeur van bejaardenhuis De Kimme, op zich bekwaam, maar hij kon in de raad nooit echt goed zijn draai vinden.

Dan was er nog wethouder Jan Veerman, over wie ik al eens eerder de staf gebroken heb (Wethouder Veerman als collega, 15 september 2012). Het enige doel van zijn fractie leek het om hem in het zadel te houden en daartoe leverden ze zich met huid en haar over aan de PvdA. Zoals ik bij mijn afscheid van de deelraad (27 april 1988) zei:

Dat arme CDA. Trouwhartig en braaf als ze zijn, stemmen ze in 98,5% van de gevallen mee met de PvdA. Dat is hun coalitiebaas niet genoeg: met minder dan een Oost-Europese 100% neemt die geen genoegen. Hoe kan iemand die geen lid is van de PvdA politiek eigenlijk sowieso deugen?

Corry

Alleen Corry Weltevreden stak er met kop en schouders bovenuit. Een intelligente, integere en helder denkende en formulerende vrouw, misschien wat te bescheiden tussen die van zichzelf verzekerde mannenbroeders. Ze was voorzitter van de commissie Gemeentewerken waar ik als wethouder bij hoorde. Vierwekelijks bespraken we de commissieagenda voor, waarbij Corry dan vaak haar dochtertje Francijntje meenam, die me ‘Herreman’ noemde en af en toe een tekening cadeau gaf.

Met haar capaciteiten dichtte ik Corry een grote toekomst toe binnen het CDA. In 1985 werd ze derde op de kandidatenlijst, wat mij tot het volgende commentaar verleidde:

Het had 1 of 2 moeten zijn. Die stupide CDA’ers hadden Henk Nieberg tweede gezet. Zijn commentaar tegen Corry: ze was zo hoog geëindigd omdat ze een vrouw was…

Corry volgde Jan Veerman na zijn tussentijdse vertrek op als wethouder en bracht het later tot fractievoorzitter in de gemeenteraad, maar is daar op een gegeven moment afgeknapt. Wel las ik in Het Parool van 29 april 2011 dat mevrouw C.V. Weltevreden-van den Bos, pastoraal vrijwilliger Protestantse Kerk, een koninklijke onderscheiding gekregen heeft.

Enneüs

De zwakke indruk die ik in Noord van het CDA kreeg werd enigszins gecompenseerd door hun wethouder voor Openbare Werken & Economische Zaken in het stadsbestuur, Enneüs Heerma. Het was een open en daadkrachtig man. De eerste keer dat ik bij hem op audiëntie kwam stroopte hij zijn hemdsmouwen op en zei: zo, hoe zullen we dit probleem eens op gaan lossen.

Heerma vertrok in 1986 als gevierd wethouder naar Den Haag, was acht jaar lang een redelijk succesvol staatssecretaris voor de volkshuisvesting, maar werd daarna als fractievoorzitter afgebrand. Dat was wrang: zo’n integere, bekwame man, eigenlijk veel te netjes voor de Haagse politiek, die daar helemaal vermalen werd. Hij trad terug en zou benoemd worden tot burgemeester van Hilversum. Daar kwam het niet van, want hij overleed op 55-jarige leeftijd aan kanker. Zonde.

Het eenzame raadslid & het beschermde stadsgezicht

Zaterdag, 11 mei , 2013

Hoe sterk is het eenzame raadslid? zong het door mijn hoofd, toen de deelraadscommissie Ruimte & Wonen zich over de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht van een deel van Zuid boog. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft Plan Zuid, de Pijp en de Vondelpark/ Concertgebouwbuurt voorgedragen voor die status en de deelraad is gevraagd om daar een advies over uit te brengen. De vergadering voorliep voorspelbaar: alle partijen links van ons (PvdA, Groen Links, SP en buurtpartijen VOZ en ZPB) zijn tegen omdat de huur in de sociale sector in bepaalde gevallen omhoog kan gaan. Rechts (VVD en CDA dus) moet niets hebben van de extra regels die zo’n status met zich mee zou brengen. Het door wethouder De Vries (PvdA) ingebrachte negatieve advies bleef dus glansrijk overeind.

Afwijkend

Het enige afwijkende geluid kwam van de D66 fractie. Ik begon met de vraag te stellen waarom mensen graag in Amsterdam-Zuid willen wonen. Dat komt omdat Zuid een aangenaam woon- en leefklimaat biedt – door de stedenbouwkundige opzet, door de architectuur, door de monumenten, door het groen, door de voorzieningen. Iedere mogelijkheid die zich aandient om die kwaliteiten te behouden en te versterken moet dus worden aangegrepen.

In ons land is het beschermd stadsgezicht daar het ultieme instrument voor. Het is een eer voor een gemeente als een deel ervan voorgedragen wordt als beschermd stadsgezicht. Maar gezien het conceptadvies van het dagelijks bestuur en de reacties van de andere fracties lijkt deze eer niet aan stadsdeel Zuid besteed te zijn. De drie belangrijkste aspecten daarbij waren de huren, de regelgeving en wat ik maar even de inhoud zal noemen.

Huren

De mogelijkheid om de huur met 15 procent te verhogen in een beschermd stadsgezicht is aan vele voorwaarden verbonden. Er bestaat een zevenvoudig filter: (1) het heeft geen betrekking op woningen met geliberaliseerde huren, (2) gaat pas in bij nieuwe verhuur, (3) geldt alleen voor panden van vóór 1945, (4) geldt niet voor beschermde rijksmonumenten, (5) er zijn afspraken met de corporaties om huurprijzen beneden de huursubsidiegrens te houden (in jargon: Bouwen aan de Stad-2), (6) liberalisering kan al via de Donnerpunten, maar vooral (7):

De verhuurder moet kunnen aantonen dat hij geld heeft besteed aan de instandhouding van de monumentale waarde van de woning. Er moet dus na aanwijzing van het gebied, in de instandhouding van de monumentale waarde van de woning worden geïnvesteerd.

Voor hoeveel woningen zou die huurverhoging dan nog gelden? D66 had behoefte aan kwantificering van de omvang van dit probleem – bijvoorbeeld door wat cijfers over door het beschermd stadsgezicht veroorzaakte huurverhogingen in de binnenstad en in vergelijkbare gemeenten –, maar stond daarin alleen. Wethouder de Vries gaf het bekende antwoord dat Zuid natuurlijk nergens mee te vergelijken valt én dat verhuurders er nu eenmaal om bekend staan dat ze iedere kans aangrijpen om de huur te verhogen, zeker nu het ze financieel niet voor de wind gaat.

Regels

Dan de consequentie dat eigenaren voor veel meer zaken een omgevingsvergunning aan zouden moeten vragen dan nu het geval is. Stel dat dat zo is. Als je ‘meer regels’ vertaalt in ‘meer bescherming’ klinkt het al heel anders. Bovendien geldt die extra bescherming alleen voor aanpassingen aan de straatzijde. Gewoon onderhoud, inpandige veranderingen en wijzigingen aan achtergevels of achterdakvlakken blijven vergunningvrij. De beschermde wijken gaan dus niet op slot, zoals ook in een bijlage verstopt vermeld stond – en zoals je ook bepaald niet kunt zeggen dat er in de binnenstad geen enkele bouwactiviteit meer plaatsvindt:

De aanwijzing heeft nadrukkelijk niet de bedoeling om de bestaande situatie te bevriezen of elke verandering tegen te houden. Het doel is wel om het cultuurhistorische karakter zo goed mogelijk intact te laten, waarbij veranderingen zorgvuldig worden begeleid en nieuwe bouwwerken zorgvuldig worden ingepast. Maar zeker niet onmogelijk zullen zijn.

Onze bestemmingsplannen spelen daar ook een belangrijke rol bij. Het gevolg van de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht is dat het stadsdeel ‘beschermende bestemmingsplannen op moet stellen om de waardevolle onderdelen en structuren te beschermen’. Maar Zuid verkeert in de gelukkige omstandigheid dat vrijwel het gehele genomineerde gebied al ‘beschermd stadsgezicht-proof’ is door het vaststellen van actuele en op bescherming gerichte bestemmingsplannen. De bescherming is al goed geregeld, dus zal de regeldruk niet of nauwelijks toenemen. Deze boodschap van mij kwam blijkbaar niet goed over, want de overige fracties (voor zover ze zich druk maken over dit aspect) bleven van mening dat het beschermde stadsgezicht een onaanvaardbare verhoging van de regeldruk met zich meebrengt.

Inhoud

Het belangrijkste punt dat ik naar voren bracht was dat naar de mening van D66 het adviesverzoek van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed primair op inhoudelijke gronden beoordeeld moet worden. We ontvingen een toelichting op de adviesaanvraag van 55 bladzijden. De weerlegging van het DB beslaat een paar regels, bestaat uit beweringen in plaats van bewijzen en is in onze ogen flinterdun. Als er een negatief advies moet komen, waarom dan niet een contra-expertise aangevraagd voor een weerlegging op inhoudelijke gronden. Zoals te verwachten viel hadden noch wethouder De Vries, noch de andere zeven fracties behoefte aan een dergelijke onderbouwing. Wat mij de hoop geeft dat de rijksdienst dit magere advies straks terzijde zal schuiven.

Wat ik betreurde was dat het stadsdeel de inwoners geen gelegenheid heeft gegeven om geïnformeerd te worden over het voorstel van de rijksdienst en om zich daarover uit te kunnen spreken – zoals in andere gemeenten tot de goede gewoonte behoort. De reactie van wethouder De Vries luidde dat dat niet nodig was, omdat het DB toch met een negatief advies zou komen…

Brevet

Behalve de ‘eer’, de erkenning en het prestige is het grote voordeel van het beschermde stadsgezicht dat het op een langere termijn dan een bestemmingsplan garanties geeft voor het behoud van de kwaliteiten van de betreffende delen van Zuid. Dat het, zoals de rijksdienst naar voren brengt, zou kunnen leiden tot waardevermeerdering van panden in het gebied neem ik maar even voor kennisgeving aan.

Als er één gebied in Nederland in aanmerking komt voor de status van beschermd stadsgezicht, dan is het wel het internationaal bekende en gewaardeerde Plan Zuid. Als Plan Zuid geen beschermd stadsgezicht wordt, dan kan het instrument beter opgedoekt worden. Maar ook voor de andere wijken geldt dat het stadsdeel trots zou moeten zijn op deze aanvraag. De deelraad geeft zichzelf met dit advies een brevet van onvermogen als hoeder van het cultuurhistorisch erfgoed in Zuid.

En de vraag kwam bij me op of het stedelijk belang dat gediend is met de aanwijzing van beschermde stadsgezichten niet zo groot is, dat de gemeenteraad de advisering over zou moeten nemen. Het is toch vreemd dat stadsdeel Noord de status van beschermd stadsgezicht voor de vooroorlogse wijken omarmt, terwijl een kilometer of wat verderop minstens zo waardevolle gebieden (ik blijf netjes tegenover onze collega’s) afgeserveerd worden. Na al die jaren kan ik er niet van verdacht worden een anti-deelradenstandpunt in te nemen, maar ik ben geneigd in dit geval de eenheid van de stad te laten prevaleren.

Supporters

De andere fracties in de commissie bleken niet erg gecharmeerd van ons andere geluid. Ik kreeg een spervuur van interrupties over me heen, met name van coalitiegenoten PvdA en VVD. De VVD-woordvoerder kreeg blijkbaar zo’n waas voor ogen dat hij me beschuldigde van ‘hobbyisme’. Zelf ben ik niet zo’n voorstander van neerbuigende kwalificaties over de opvattingen die andere partijen in hun politieke DNA hebben zitten – dat doen wij toch ook niet als de VVD weer eens begint over bijvoorbeeld het erfpachtstelsel…

Maar goed, bij het verlaten van de zaal bleek dat het eenzame raadslid toch nog vier supporters had, behalve fractiegenoot Ed natuurlijk: drie leden van het Cuypers-genootschap én de monumentenambtenaar. En ik bedacht, terugfietsend door het Beatrixpark: als er één partij is die zich druk moet maken over de cultuurhistorische waarde van de stad, laat het dan D66 maar zijn.

Pionieren (IV): vogelen & flipperen

Donderdag, 9 mei , 2013

Zoals bekend heb ik niet veel op met gezelligheid op het werk, maar ik had geloof ik nooit zo’n druk sociaal leven als toen bij stadsdeel Noord. Ik heb zelfs een keer aan een volleybaltoernooi meegedaan op sportpark De Weeren. Omdat ik vrijwel de enige was die bij de service de bal over het net kon krijgen kwamen we nog behoorlijk ver. Maar goed, op een vroege ochtend in het voorjaar ben ik mee uit vogelen geweest, onder leiding van Leo Peterman – een ontzettend aardige hovenier, die ik van een andere kant leerde kennen toen de ABVA/KABO een staking verordonneerde en Leo met nog wat potige heren de deur van het stadsdeelkantoor versperde.

We moesten naar de dijk bij Durgerdam fietsen. Jannetje kwam wat later aanzetten. Ik herinner me ook nog Nic Frederiks en Hans van de Ven – die een tijdje door zijn toneelkijkertje naar een boerderij tuurde en toen sprak: ‘ik zie een specimen homo agraricus’. Waren Dorine en Jeroen Bakker ook niet mee? We liepen door het natte gras en werden attent gemaakt op allerlei weidevogels. Het eindigde op een nog steeds vroeg tijdstip op het terras van de Scheepskameel in Uitdam. Erg leuk, al heeft het mijn vogelkennis niet veel groter gemaakt. Toen Jannetjes fiets een lekke band bleek te hebben, waren er genoeg handige heren graag bereid om die voor haar te plakken.

Bergen aan Zee

Het DB trok zich ieder jaar twee dagen terug in hotel Nassau in Bergen aan Zee. Gelukkig gingen Elly Boomsma en locosecretaris Peter Groenhuijzen mee, dat kwam de sfeer ten goede. Er werd daar over de begroting gesproken en dat gebeurde, geheel in de stijl van Theo Fransman, met het mes op tafel. Praten over geld bracht sowieso het slechtste in de bestuurder naar boven. Eind augustus 1982 schreef ik daarover:

Tussendoor de Bergen aan Zee-paperassen gelezen. Ik word er niet vrolijker van. Allerlei belangetjes hebben inmiddels de kop opgestoken. Zelf zou ik willen praten over wat het beste is voor onze club (efficiënt! effectief!), maar dat bergt het risico in zich, dat ‘mijn’ belangen daardoor niet goed uit de verf komen. Ik moet er nog eens over nadenken.

Nu ik er goed over nadenk nam hoofd Financiën Eric Schreurs dan ook deel en dat was natuurlijk weer wat minder goed voor de sfeer. Rob Goldsteen vertelde meesmuilend dat Schreurs een keer ‘s nachts een rondgang door het kantoor zou maken om bij iedereen de cijfers van de typemachine weg te vijlen. Als ik me begon te vervelen noteerde ik clichés:

  • Ik denk dat het helder is, dat…
  • Casus (7x)
  • De bedoeling is, dat heb ik tenminste ingeschat, van wat is…
  • Dan moeten we dat denk ik even beetpakken.
  • Ik voel dat wel met u mee.

Nee, ik kan niet zeggen dat het DB in Bergen aan Zee nader tot elkaar kwam. Wat mij betreft zeker niet doordat Frans Nuijts en Jan Veerman als ketters rookten, zodat ik me genoodzaakt zag om een deel van de tijd met mijn hoofd uit het raam te hangen. Tussendoor wandelden we over het strand. Elly kondigde ieder jaar aan dat ze de sauna in wilde, maar kreeg nooit iemand mee. ‘s Avonds kon je in de bar hangen, maar daar hield ik toen ook al niet zo van – al heb ik er wel geflipperd en met 172.000 punten het DB-record op mijn naam gebracht. Ik lag op tijd in bed om een goed boek te lezen – waar draait het leven anders om.

Pionieren (III): uitstapjes

Dinsdag, 7 mei , 2013

Een maand of wat na de installatie was er een etentje voor iedereen die bij stadsdeel Noord betrokken was: kwartiermakers, wat mensen daaromheen (zoals onze aardige, maar niet al te briljante organisatieadviseur Frank de Ruijter) en de DB‑leden. Het vond plaats in het achterzaaltje van het Tolhuis. Door het trekken van lootjes wisselden we twee keer van tafel en van tafelgenoten. De partners mochten mee – en mijn relatie met Jannetje verkeerde in een fase dat ze dat daar nog plezier in had. Ik vond het een gezellige avond en zou het in deze samenstelling bij wijze van reünie wel eens over willen doen.

In de bus

Weer een paar maanden verder waren er behoorlijk wat mensen van het kernapparaat aan de slag. We besloten om een uitstapje te maken met ambtenaren en DB‑leden. Voorlichter Mario de Paauw (die nog steeds bij het stadsdeel werkt) en ik draaiden een programma in elkaar. Mario regelde de praktische zaken. In een GVB-touringcar vertrok het gezelschap, dat toen nog in één bus paste – we schrijven vrijdag 17 september 1982. Theo Fransman bleef te elfder ure achter. Door een aantal branden in een school aan de Floraweg was er grote onrust in het achterliggende Floradorp (ook wel de Rimboe genaamd) ontstaan. Theo besloot dat er één bestuurder op zijn post moest blijven en dat hij dat was. Hij vond het overduidelijk geen straf om Noord in z’n eentje te besturen.

Maar goed, we hielden een tussenstop in de buurt van Loenersloot, waar we koffie met taart kregen. Op voorspraak van Rob Goldsteen was Deventer onze tweede stop, waar PvdA-wethouder Duimel ons in het schitterende stadhuis ontving. We kregen een verhaal over stadsvernieuwing en maakten een wandeling door het Noorderbergkwartier. Geluncht werd er in het IJsselhotel.

Dansen

De eindbestemming was park De Hoge Veluwe, waar iedereen zijn of haar eigen gang kon gaan – voor mij betekende dat een bezoek aan het Kröller-Müllermuseum en het jachtslot Sint Hubertus. Daarna streken we neer in een nabij gelegen restaurant, waar gebarbecued werd. Een paar dapperen doken in het zwembad. Later op de avond werd er gedanst. Loes Lesterhuis, toen nog in haar eentje P&O, kwam op me af en vroeg: ‘ga je mee dansen?!’ Bij mijn weten had ik dat sinds de middelbare school niet meer gedaan en het werd sowieso de laatste keer dat ik danste, zoals ik mijn dagboek schreef: ‘Heb regelmatig het ondermijnende idee – wat sta ik hier nou gek te doen.’ Elly Boomsma danste met Peter Groenhuijzen en zei na afloop: ‘Peter kan bijna net zo goed dansen als ik’.

In de bus heb ik het verzoek om alcoholica in te mogen slaan afgewezen. ‘Papa Wals’, daar had iemand het over. Van de terugreis herinner ik me vooral dat Aad Streng (in 2009 overleden) desondanks erg dronken was en met een pet geld ophaalde voor de chauffeur. Laat in de avond kwamen we in Amsterdam aan. Floradorp stond er nog steeds.

Pionieren (II): Buik 124, 66 & 126

Zondag, 5 mei , 2013

De huisvesting was niet op de omvang van de organisatie berekend, dat wil zeggen het stadsdeel begon in het oude gebouw tussen het Buikplein en Plan Van Gool, oftewel Buik 124. Daar groeiden we al snel uit. Na wat gedelibereer kwamen Rob Goldsteen en ik, samen met de ambtenaren van Gemeentewerken en Wonen & Werken, in Buik 66 terecht, boven Chinees Mei Wah. We konden de ketels met gekookte rijst buiten zien staan. Als er beneden in de keuken kakkerlakkenjacht was geweest, vluchtten die beestjes naar boven. Zoals op dinsdag 31 januari 1984:

Kakkerlak gevonden! Donderdag komt de GG&GD. Bep Wisman was het slachtoffer. Ben met helm en schop uitgerukt.

Twee dagen later:

Een kakkerlakkenspecialist van de GG&GD kwam langs. ‘Duitse kakkerlakken,’ zei hij. En: de Chinees. Hij plaatste lokdoosjes – niet giftig.

Maar we hadden er een gezellige tijd – en Mei Wah bestaat nog steeds. Het laatste jaar had ik een kamer in het nieuwe deelraadkantoor, opnieuw in een bestuursvleugel: Buik 126 – al weer jaren geleden gesloopt. De buitendienst bleef voorlopig in de oude sectieposten zitten.

De lunch

In het oude gebouw was het de gewoonte om gezamenlijk te lunchen. Je had eens in de zoveel tijd corvee: boodschappen doen, de tafel dekken en daarna opruimen en afwassen. Iedereen deed mee, dus ook de DB-leden. De enige die zich er consequent aan onttrok was Jan Veerman. Dan stapte hij weer met een sigaret in zijn mond het secretariaat binnen en zei zoiets als: ‘zeg meiden, willen jullie vanmiddag even de lunch verzorgen’. Ze durfden nooit nee te zeggen. Populair maakte het hem niet.

Pionieren (I): kwartiermakers, mandatarissen en kernapparaat

Vrijdag, 3 mei , 2013

Hoe zet je een ambtelijke organisatie in elkaar? Toen de DB‑leden van Noord op 1 december 1981 aantraden liepen er een paar kwartiermakers in het stadsdeelkantoor rond, onder aanvoering van Gerard Gast. Kees Korf zorgde voor de post en deed buitengewoon gewichtig. Dora Spier was er als manusje-van-alles ook van meet af aan bij. En ik herinner me Liesbeth Sijsling, die al snel weer verdween (en die ik later in de krant tegenkwam als directeur van het Clara Wichmann Instituut). Het gebouw stond verder voornamelijk leeg.

Achteraf lijkt het me wel vreemd voor de kwartiermakers. Ze waren maandenlang intensief bezig met de voorbereidingen voor de nieuwe deelraad en opeens kwam er een clubje wijsneuzen dat de macht overnam – zonder daar nu bijzonder goed voor gekwalificeerd te zijn…

Als extraatje van de centrale stad mocht Noord een kernapparaat van twintig formatieplaatsen aantrekken. Daar zat niet specifiek iemand voor mijn portefeuille bij, maar Peter Groenhuijzen bemoeide zich daar wat tegenaan. Het was in het begin sowieso behelpen. Theo Fransman wilde zo snel mogelijk een eerste deelraadsvergadering beleggen. Ik zie ons nog om een paar tafels heen stukken staan rapen, stadsdeelsecretaris Elly Boomsma in een t-shirt met korte mouwen.

Bommelding

Theo liet ook bijeenkomsten in verschillende wijken beleggen, waarop heel insprekend Noord kon roepen wat ze van het stadsdeel gedaan wilden krijgen. De eerste keer was in een kerk in de Banne Zuid. In Caritas kregen we een bommelding, de enige keer dat ik dat mee heb gemaakt, waarna het gebouw ontruimd werd en we allemaal op de stoep stonden.

Veel zal er niet gebeurd zijn met de waslijst aan klachten die we ieder van die avonden over ons heen kregen. Daar hadden we het apparaat ook nog helemaal niet voor. Veel bewoners gebruikten de stadsdeelraad om klachten van jaren her, waarvoor ze in de stad geen gehoor hadden gekregen, maar weer eens naar voren te brengen. Je wist immers nooit..

Mandatarissen en deconcentratie

Als wethouder zonder medewerkers kreeg ik te maken met de mandatarissen oftewel contactpersonen van de stedelijke diensten (Marijn Bom van DOW, Jan Cleij van de staf Hinderwet‑ en Milieuzaken, Jean Créton van het GVB, Joost Quispel van VKV, Wim Seelt van de Stadsreiniging en de heer Van Graas van Marktwezen). Maar we wilden het echte ding: eigen ambtenaren. En die moesten uit de centrale stad vandaan komen.

Al snel zat ik, net als mijn collega’s, geheel onbevoegd organisatieschema’s te tekenen. In een bijeenkomst in het Waterleidinggebouw in Weesperkarspel knutselden we de nieuwe organisatie in elkaar. We waren er klaar voor om de uit hun oude diensten losgesneden ambtenaren te ontvangen en ik mocht de boer op om ze duidelijk te maken hoe goed het voor ze zou zijn om voor Noord te kiezen.

Een republikein in Amsterdam

Dinsdag, 30 april , 2013

Het zijn moeilijke tijden voor republikeinen. De kranten staan vol met nieuws over de troonswisseling zodat je snel klaar bent met lezen, in het journaal word je ermee doodgegooid, de stad kleurt oranje en bij de kassa van Albert Heijn werd me ook al gevraagd of ik een oranje ‘koningwuppie’ wilde hebben. Op mijn antwoord ‘nee, ik ben republikeins’ werd bevreemd gereageerd – maar de vraag is dan ook of je een caissière moet confronteren met jouw particuliere overtuigingen.

Toch is het in de kern zo simpel: in een democratie hoort geen enkel openbaar ambt door middel van erfopvolging vervuld te worden. Iedere oprechte democraat zal toch onderschrijven dat daar openbare en voor een ieder (van boven de 18) toegankelijke verkiezingen voor nodig zijn. Wat me daarnaast stoort is de kruiperige en kritiekloze manier waar hele volksstammen in vervallen als het om het koningshuis gaat – met recht een onderdanige lakeienmentaliteit.

Celibaat

Na het lezen van een artikel over de pausverkiezingen door de eeuwen heen bedacht ik laatst nog wel één voorwaarde waaronder een koningshuis voor mij acceptabel zou zijn: als ze volgens de regels van het celibaat leven. En als ze hun ambt op basis van vrijwilligerswerk doen, in plaats van belastingvrij op de beurs van de samenleving te leunen, zou dat me ook al heel wat milder stemmen. Maar voor het overige zeg ik: niet alleen Amsterdam, maar heel Nederland een republiek.

Op dat vlak is mijn standpunt al sinds jaar en dag onveranderd. Maar net zo als ik nu alle oranjegedoe probeer te negeren, wat dezer dagen niet heel eenvoudig is, heb ik er altijd zo min mogelijk aandacht aan willen besteden. Slechts één keer heb ik er een stuk aan gewijd, en wel in het Groen Links-blaadje Infrarood, waarin ik reageerde op een stuk van CDA-deelraadslid Jan-Willem Sap (Een republikein in Zuid, november 1991). Om er hierna weer jaren over te kunnen zwijgen citeer ik het in zijn geheel.

In Infrarood nummer 6 betoogt Jan-Willem Sap dat de tegenstelling tussen parlementaire democratie en erfelijk koningschap achterhaald is in Nederland. Zijn bewijsvoering kent vele nuances, die via een omtrekkende beweging toch op bevestiging van de monarchie uitkomen: het gaat redelijk goed zo, de mensen willen het nu eenmaal en andere zaken zijn belangrijker. Hoewel ik geen slapeloze nachten heb van het besef in een koninkrijk te leven, wil ik hier toch een lans breken voor een duidelijk en principieel ‘nee’ tegen de monarchie.

De Frans politicoloog Maurice Duverger noemt in zijn studie De overheden. Panorama der politieke stelsels (1964) een aantal voordelen van erfopvolging: een zeer grote stabiliteit van het regime, de weinig gecompliceerde opvolging en de mogelijkheid de regeerders door een adequate opleiding op hun taak voor te bereiden. Jan-Willem voegt daar nog aan toe dat het vorstenhuis een symbool is van de historische banden die ons als Nederlanders binden.

Duverger houdt ons voor dat we niet voorbij mogen gaan aan de ernstige tekortkomingen die erfopvolging aankleven: de mogelijkheid dat het bestuur in handen valt van iemand die er niet geschikt voor is, of die ziekelijk is én het isolement van de bestuurders, die een kaste apart gaan vormen, zonder contact met hun onderdanen.

Constitutioneel keurslijf

De essentie van politieke democratie ligt in de vrije en eerlijke verkiezing van de bestuurders. Ons staatshoofd is niet democratisch gekozen. Zelf vind ik het niet aanvaardbaar dat een openbaar ambt via erfopvolging bekleed wordt. Want op die manier wordt het me onmogelijk gemaakt een hoogwaardigheidsbekleder met wie ik het niet eens ben, of die het te bont maakt, via de stembus weg te sturen.

Om dit probleem te omzeilen is vastgesteld dat de koning(in) niet verantwoordelijk is, maar dat de ministers dit tegenover het parlement wél zijn. Dit constitutionele keurslijf, zoals Harry van Wijnen het in NRC Handelsblad van 6 juli noemt, houdt in dat als er parlementaire kritiek is op een uitlating van een lid van het koningshuis, de minister erop aangesproken wordt.

De beest uithangen

Mijn bezwaren richten zich ook tegen deze onschendbaarheid. Jan-Willem noemt het Lockheed-schandaal een ‘buitengewoon ernstige aantasting van het gezag van het koninklijk huis’. Maar met het noemen van dit ene voorbeeld is hij veel te mild. Wangedrag is in deze familie bepaald niet uitzonderlijk. Of ze nu te snel rijden, gebedsgenezers inschakelen, de halve Veluwe leegschieten, onechte kinderen kweken of hun neus ophalen voor de democratie, je kunt niet bepaald zeggen dat de leden van het illustere Huis van Oranje door de eeuwen heen hun volk het goede voorbeeld gaven.

Toch heeft de huidige koningin een onverminderd groot moreel prestige. Jarenlang heb ik gehoopt dat het koningshuis zou sneuvelen als al die prinsen eerst maar eens volwassen werden en de beest uit gingen hangen. Nu denk ik daar anders over. Bij de verjaardag van Bernhard somde Journaille in Het Parool een lange lijst van schandaden van het feestvarken op. Om te besluiten met een waarderend: Bernhard, oude rakker, nog vele jaren.

Zo kan iedere Nederlander z’n Koninklijke schutspatroon uitzoeken: Bernhard voor de schuinsmarcheerders, Johan Friso voor de snelheidsmaniakken (203 kilometer per uur), Claus voor de gedeprimeerden, noem maar op.

Oranje-hysterie

Als Jan-Willem stelt dat we een erfelijk koningschap hebben, omdat de meerderheid van het volk dat wil, neemt hij wel een erg theoretisch standpunt in. Hij raakt veel meer de kern met zijn stelling dat de argumenten voor het koningschap niet zozeer rationeel, maar eerder gevoelsmatig zijn. Maar dát aspect kan mij nu juist gestolen worden. Ik word wee van al die Oranje-hysterie in de pers: het pianospel van Pieter, de ogen van Marijke, de depressies van Claus, de nieuwe vriend van Irene… het is helaas al deze pietepeuterige ‘human interest’ die volk en vorstenhuis zo hecht met elkaar verbindt.

De verzuchting ‘waren we in 1815 maar op het rechte, republikeinse pad gebleven’, klinkt tegenwoordig dan ook niet zo vaak meer. Je maakt je in dit land niet populair door te verkondigen dat je republikein bent, maar waarom zou je populair willen zijn als er principes in het geding komen. Vandaar mijn respect voor iemand als het oud-PSP Tweede Kamerlid Van der Spek, die consequent weigerde op Prinskjesdag bij de opening van de Staten-Generaal aanwezig te zijn.

Oneffenheid

Het koningschap is voor mij een oneffenheid in onze democratie. Ik moet onder ogen zien, dat het wegstrijken daarvan in ons politieke bestel geen enkele prioriteit heeft. Zelf doe ik daar braaf aan mee, want mij komt er ook geen voorstel om de naam van het Beatrixpark te veranderen, bijvoorbeeld in Annie M.G. Schmidt-park – volgens sommige mensen de echte koningin van Nederland en nog in Zuid wonend ook.

Maar anders dan Jan-Willem, vind ik dat er wel degelijk een tegenstelling tussen monarchie en republiek is en dat het ook de moeite waard is om daarop te blijven wijzen. Naar ik van hem begrijp bevind ik me daarbij trouwens in goed gezelschap: ‘De bijbelse voorkeur voor de republiek is duidelijk’. Dat is nog eens wat anders dan een overheid die bij de gratie Gods aangewezen is.

Hoewel ik het Oranjegevoel niet ken, moet ik eerlijk bekennen dat ook ik mijn eigen favoriete Oranje heb, en wel koningin Sophie, die in 1847 aan haar vriendin lady Mallet schreef: ‘Wat is de wereld een hol gedoe, wat lijkt ons maatschappelijke en politieke leven op afgoderij. Ik word steeds meer republikeins gezind. Overigens, iedereen in Holland zou dat worden, indien men achter de schermen kon kijken.

Mammie

Nooit kwam het koningshuis dichterbij dan in de zomervakantie van 1998, de laatste vakantie die Jannetje, Francisca, Tobias en ik in gezinsverband vierden. We huurden een huisje in een Toscaans kustplaatsje en namen de boot naar het eilandje Giglio. Een paar van de medepassagiers kwam me bekend voor en opeens realiseerde ik me: Juliana en Bernhard – plus hofdames, hofheren en lijfwachten. Juliana werd met ‘mammie’ aangesproken, keek televisie en leek behoorlijk van de wereld. Bernard zag er patent uit en bestelde eigenhandig een drankje aan de bar, alleen voor zichzelf. De lijfwachten keken ons wantrouwig aan, maar later op het eiland kon er een knikje vanaf.

Terug in Nederland schreef Jannetje een stukje over deze toevallige ontmoeting, maar de hoofdredactie van de NRC wilde het niet plaatsen…

Omfietsen

Dan heb ik nog een allerlaatste appeltje te schillen met het koningshuis en wel over de troonswisseling van 1980. Jannetje en ik besloten de stad te ontvluchten en fietsten naar haar vriendin Claartje in Abcoude toe (die helaas kwelend voor de televisie zat: ‘oh, wat ziet ze er toch beeldig uit!’). Vroeg in de avond kwamen we terug. De traangasdampen hingen nog in de stad en dat bezorgde ons tranende ogen en geprikkelde slijmvliezen.

Toen we met de pont over wilden steken naar ons Amsterdam-Noord bleek dat niet mogelijk: er werd een koninklijk vuurwerk gehouden voor vorstenhuis & aanhang. Een agent suggereerde ons te zwemmen, maar we zijn het hele eind omgereden over de Schellingwouder bruggen. Moe thuis. Bedankt, Beatrix! Als dat nog nodig was zou dit het laatste zetje zijn geweest.