Het zijn moeilijke tijden voor republikeinen. De kranten staan vol met nieuws over de troonswisseling zodat je snel klaar bent met lezen, in het journaal word je ermee doodgegooid, de stad kleurt oranje en bij de kassa van Albert Heijn werd me ook al gevraagd of ik een oranje ‘koningwuppie’ wilde hebben. Op mijn antwoord ‘nee, ik ben republikeins’ werd bevreemd gereageerd – maar de vraag is dan ook of je een caissière moet confronteren met jouw particuliere overtuigingen.
Toch is het in de kern zo simpel: in een democratie hoort geen enkel openbaar ambt door middel van erfopvolging vervuld te worden. Iedere oprechte democraat zal toch onderschrijven dat daar openbare en voor een ieder (van boven de 18) toegankelijke verkiezingen voor nodig zijn. Wat me daarnaast stoort is de kruiperige en kritiekloze manier waar hele volksstammen in vervallen als het om het koningshuis gaat – met recht een onderdanige lakeienmentaliteit.
Celibaat
Na het lezen van een artikel over de pausverkiezingen door de eeuwen heen bedacht ik laatst nog wel één voorwaarde waaronder een koningshuis voor mij acceptabel zou zijn: als ze volgens de regels van het celibaat leven. En als ze hun ambt op basis van vrijwilligerswerk doen, in plaats van belastingvrij op de beurs van de samenleving te leunen, zou dat me ook al heel wat milder stemmen. Maar voor het overige zeg ik: niet alleen Amsterdam, maar heel Nederland een republiek.
Op dat vlak is mijn standpunt al sinds jaar en dag onveranderd. Maar net zo als ik nu alle oranjegedoe probeer te negeren, wat dezer dagen niet heel eenvoudig is, heb ik er altijd zo min mogelijk aandacht aan willen besteden. Slechts één keer heb ik er een stuk aan gewijd, en wel in het Groen Links-blaadje Infrarood, waarin ik reageerde op een stuk van CDA-deelraadslid Jan-Willem Sap (Een republikein in Zuid, november 1991). Om er hierna weer jaren over te kunnen zwijgen citeer ik het in zijn geheel.
In Infrarood nummer 6 betoogt Jan-Willem Sap dat de tegenstelling tussen parlementaire democratie en erfelijk koningschap achterhaald is in Nederland. Zijn bewijsvoering kent vele nuances, die via een omtrekkende beweging toch op bevestiging van de monarchie uitkomen: het gaat redelijk goed zo, de mensen willen het nu eenmaal en andere zaken zijn belangrijker. Hoewel ik geen slapeloze nachten heb van het besef in een koninkrijk te leven, wil ik hier toch een lans breken voor een duidelijk en principieel ‘nee’ tegen de monarchie.
De Frans politicoloog Maurice Duverger noemt in zijn studie De overheden. Panorama der politieke stelsels (1964) een aantal voordelen van erfopvolging: een zeer grote stabiliteit van het regime, de weinig gecompliceerde opvolging en de mogelijkheid de regeerders door een adequate opleiding op hun taak voor te bereiden. Jan-Willem voegt daar nog aan toe dat het vorstenhuis een symbool is van de historische banden die ons als Nederlanders binden.
Duverger houdt ons voor dat we niet voorbij mogen gaan aan de ernstige tekortkomingen die erfopvolging aankleven: de mogelijkheid dat het bestuur in handen valt van iemand die er niet geschikt voor is, of die ziekelijk is én het isolement van de bestuurders, die een kaste apart gaan vormen, zonder contact met hun onderdanen.
Constitutioneel keurslijf
De essentie van politieke democratie ligt in de vrije en eerlijke verkiezing van de bestuurders. Ons staatshoofd is niet democratisch gekozen. Zelf vind ik het niet aanvaardbaar dat een openbaar ambt via erfopvolging bekleed wordt. Want op die manier wordt het me onmogelijk gemaakt een hoogwaardigheidsbekleder met wie ik het niet eens ben, of die het te bont maakt, via de stembus weg te sturen.
Om dit probleem te omzeilen is vastgesteld dat de koning(in) niet verantwoordelijk is, maar dat de ministers dit tegenover het parlement wél zijn. Dit constitutionele keurslijf, zoals Harry van Wijnen het in NRC Handelsblad van 6 juli noemt, houdt in dat als er parlementaire kritiek is op een uitlating van een lid van het koningshuis, de minister erop aangesproken wordt.
De beest uithangen
Mijn bezwaren richten zich ook tegen deze onschendbaarheid. Jan-Willem noemt het Lockheed-schandaal een ‘buitengewoon ernstige aantasting van het gezag van het koninklijk huis’. Maar met het noemen van dit ene voorbeeld is hij veel te mild. Wangedrag is in deze familie bepaald niet uitzonderlijk. Of ze nu te snel rijden, gebedsgenezers inschakelen, de halve Veluwe leegschieten, onechte kinderen kweken of hun neus ophalen voor de democratie, je kunt niet bepaald zeggen dat de leden van het illustere Huis van Oranje door de eeuwen heen hun volk het goede voorbeeld gaven.
Toch heeft de huidige koningin een onverminderd groot moreel prestige. Jarenlang heb ik gehoopt dat het koningshuis zou sneuvelen als al die prinsen eerst maar eens volwassen werden en de beest uit gingen hangen. Nu denk ik daar anders over. Bij de verjaardag van Bernhard somde Journaille in Het Parool een lange lijst van schandaden van het feestvarken op. Om te besluiten met een waarderend: Bernhard, oude rakker, nog vele jaren.
Zo kan iedere Nederlander z’n Koninklijke schutspatroon uitzoeken: Bernhard voor de schuinsmarcheerders, Johan Friso voor de snelheidsmaniakken (203 kilometer per uur), Claus voor de gedeprimeerden, noem maar op.
Oranje-hysterie
Als Jan-Willem stelt dat we een erfelijk koningschap hebben, omdat de meerderheid van het volk dat wil, neemt hij wel een erg theoretisch standpunt in. Hij raakt veel meer de kern met zijn stelling dat de argumenten voor het koningschap niet zozeer rationeel, maar eerder gevoelsmatig zijn. Maar dát aspect kan mij nu juist gestolen worden. Ik word wee van al die Oranje-hysterie in de pers: het pianospel van Pieter, de ogen van Marijke, de depressies van Claus, de nieuwe vriend van Irene… het is helaas al deze pietepeuterige ‘human interest’ die volk en vorstenhuis zo hecht met elkaar verbindt.
De verzuchting ‘waren we in 1815 maar op het rechte, republikeinse pad gebleven’, klinkt tegenwoordig dan ook niet zo vaak meer. Je maakt je in dit land niet populair door te verkondigen dat je republikein bent, maar waarom zou je populair willen zijn als er principes in het geding komen. Vandaar mijn respect voor iemand als het oud-PSP Tweede Kamerlid Van der Spek, die consequent weigerde op Prinskjesdag bij de opening van de Staten-Generaal aanwezig te zijn.
Oneffenheid
Het koningschap is voor mij een oneffenheid in onze democratie. Ik moet onder ogen zien, dat het wegstrijken daarvan in ons politieke bestel geen enkele prioriteit heeft. Zelf doe ik daar braaf aan mee, want mij komt er ook geen voorstel om de naam van het Beatrixpark te veranderen, bijvoorbeeld in Annie M.G. Schmidt-park – volgens sommige mensen de echte koningin van Nederland en nog in Zuid wonend ook.
Maar anders dan Jan-Willem, vind ik dat er wel degelijk een tegenstelling tussen monarchie en republiek is en dat het ook de moeite waard is om daarop te blijven wijzen. Naar ik van hem begrijp bevind ik me daarbij trouwens in goed gezelschap: ‘De bijbelse voorkeur voor de republiek is duidelijk’. Dat is nog eens wat anders dan een overheid die bij de gratie Gods aangewezen is.
Hoewel ik het Oranjegevoel niet ken, moet ik eerlijk bekennen dat ook ik mijn eigen favoriete Oranje heb, en wel koningin Sophie, die in 1847 aan haar vriendin lady Mallet schreef: ‘Wat is de wereld een hol gedoe, wat lijkt ons maatschappelijke en politieke leven op afgoderij. Ik word steeds meer republikeins gezind. Overigens, iedereen in Holland zou dat worden, indien men achter de schermen kon kijken.
Mammie
Nooit kwam het koningshuis dichterbij dan in de zomervakantie van 1998, de laatste vakantie die Jannetje, Francisca, Tobias en ik in gezinsverband vierden. We huurden een huisje in een Toscaans kustplaatsje en namen de boot naar het eilandje Giglio. Een paar van de medepassagiers kwam me bekend voor en opeens realiseerde ik me: Juliana en Bernhard – plus hofdames, hofheren en lijfwachten. Juliana werd met ‘mammie’ aangesproken, keek televisie en leek behoorlijk van de wereld. Bernard zag er patent uit en bestelde eigenhandig een drankje aan de bar, alleen voor zichzelf. De lijfwachten keken ons wantrouwig aan, maar later op het eiland kon er een knikje vanaf.
Terug in Nederland schreef Jannetje een stukje over deze toevallige ontmoeting, maar de hoofdredactie van de NRC wilde het niet plaatsen…
Omfietsen
Dan heb ik nog een allerlaatste appeltje te schillen met het koningshuis en wel over de troonswisseling van 1980. Jannetje en ik besloten de stad te ontvluchten en fietsten naar haar vriendin Claartje in Abcoude toe (die helaas kwelend voor de televisie zat: ‘oh, wat ziet ze er toch beeldig uit!’). Vroeg in de avond kwamen we terug. De traangasdampen hingen nog in de stad en dat bezorgde ons tranende ogen en geprikkelde slijmvliezen.
Toen we met de pont over wilden steken naar ons Amsterdam-Noord bleek dat niet mogelijk: er werd een koninklijk vuurwerk gehouden voor vorstenhuis & aanhang. Een agent suggereerde ons te zwemmen, maar we zijn het hele eind omgereden over de Schellingwouder bruggen. Moe thuis. Bedankt, Beatrix! Als dat nog nodig was zou dit het laatste zetje zijn geweest.