Als één Amsterdamse bestuurder van de afgelopen honderd jaar de term ‘politiek correct’ verdiend heeft, dan is het Ed van Thijn wel. Door het televisieprogramma Krasse knarren werden we weer op zijn bestaan geattendeerd. Mijn generatie las zijn Dagboek van een onderhandelaar, over de mislukte kabinetsformatie van 1977 en ergerde zich collectief aan het gedraai van Van Agt en de overval van Wiegel. Van Thijn was een Held. Pas later kwam er een andere ergernis bij me op – die aan het onfeilbare morele kompas waarvan Van Thijn altijd wist te vertellen welke richting het uit moest wijzen.
Een voorbeeld daarvan is te vinden op een recente dvd over de geschiedenis van Amsterdam. In 1990 wonnen de Centrum-Democraten bij de gemeenteraadsverkiezingen één zetel. Op de dag van de installatie werd het stadhuis geblokkeerd door betogers. Het CD-raadslid werd door een zijdeur naar binnen gesmokkeld. In het filmpje zie je Van Thijn met veel verbaal geweld tegen haar tekeer gaan, terwijl zij met grote schrikogen zijn hoon ondergaat. Lekker stoer, met z’n allen tegen één…
Wim Polak
De eerste burgemeester die ik persoonlijk meemaakte was Wim Polak. Ik geloof niet dat hij veel met de stadsdelen op had. Bij ons deed het verhaal de ronde dat het feliciteren van de honderdjarigen niet aan Noord en Osdorp overgedragen werd, omdat mevrouw Polak dat niet kwijt wilde raken. Maar evengoed was Wim Polak een aimabel mens. Ik heb hem dan ook enthousiast uitgezwaaid in het Concertgebouw, terwijl Willy Alberti hem toezong met ‘vaarwel burgemeester’ of iets dergelijks.
Ed van Thijn was een ander verhaal. Die kwam tijdens zijn oriëntatieperiode als burgemeester in Noord op bezoek en de DB‑leden maakten uitgebreid kennis met hem. Daarna ben ik voor mijn gevoel nog wel zeven keer aan hem voorgesteld. Iedere keer was hij compleet vergeten wie ik was. Het nam me niet voor hem in – een onhartelijke, licht autistische man.
Ajax-stadion
Begin juni 1993 belde D66-gemeenteraadslid Boudewijn Oranje me op en vroeg of ik met de gemeenteraad mee wilde voetballen tegen de stadhuisambtenaren. Ze kwamen een man tekort. Op zaterdag 5 juni fietste ik naar het Ajax-stadion. Daar werd burgemeester Van Thijn afgeleverd in zijn dienstauto. De chauffeur pakte de sporttas voor hem uit de achterbak. Ik maakte een praatje met Van Thijn en had toen de vreemde gewaarwording dat hij voor één achtste bij dat gesprek was, maar zich voor zevenachtste in zijn hoofd met hele andere dingen bezighield.
We kleedden ons om in een heuse Ajax-kleedkamer – groter dan welke kleedkamer dan ook die ik mee had gemaakt in mijn carrière aan de onderkant van de Amsterdamse Voetbalbond. Daarna liepen we naar het veld door een gang waar foto’s hingen van alle Ajacieden die in het Nederlands elftal gespeeld hadden. Dat voelde goed. De wedstrijd was de moeite niet waard. De ambtenaren voetbalden veel beter en wonnen met 3 – 2. Ik speelde laatste man, maar had niets aan doelman Van Thijn, die in weerwil van het in zijn boeken zorgvuldig gekweekte sportieve imago (basketbal! roeien!) geen bal vast kon pakken en steeds reageerde of er hete kroketten op hem af kwamen. Zelden iemand met zo weinig balgevoel meegemaakt.
De Zeedijk
Van Thijn hield er een merkwaardige manier van spreken op na, de woorden ploften één voor één uit zijn mond. Hij gedroeg zich even ijdel als ongemakkelijk in grote menigten (zijn tenenkrommende poging om het Nederlands elftal in 1988 op het Museumplein swingend te huldigen…) en vaak had ik het idee dat hij zichzelf speelde. Dat kreeg een extra dimensie toen Kees van Kooten hem op de korrel nam – dezelfde Kees van Kooten die de term krasse knarren bedacht.
Hilarisch was de zogenaamde ontvangst van het Internationaal Olympisch Comité, waar Van Thijn/ Van Kooten de heren liet zien dat Amsterdam de Olympische kandidatuur volkomen verdiende, want de gemeente had de Zeedijk schoongeveegd. Al die tijd liepen ze over de doodstille Enkhuizense Zeedijk. Jarenlang dacht ik, als Van Thijn weer eens op televisie verscheen: ha, Kees van Kooten! Maar Kees van Kooten, net als Van Thijn dezer dagen ook weer even op televisie, speelde Van Thijn stukken beter dan Van Thijn dat zelf deed…
