Gerard van Westerloo, Bangarage, circusdieren & meningen

14 mei, 2012 door hermanwals

Vrij Nederland was in de jaren zeventig een baken voor een ieder die aan de boven hem of haar gestelde autoriteiten twijfelde – en wie deed dat niet in die tijd. Binnen het weekblad heersten twee stromingen – nog afgezien van de heel eigen, ironische zijpaden die hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse insloeg. Je had de gedegen, minitieuze maar ook wel erg saaie en overgedetailleerde onderzoeksjournalistiek van Rudie van Meurs en de zijnen. Daar tegenover stonden de briljante portretten van de tijdsgeest die ik vereenzelvig met de afgelopen week overleden Gerard van Westerloo. Wie van mijn generatie kent niet klassiekers als De pont van kwart over zeven, De bestuurders van lijn 16 en Het verval van de Smitstraat.

Toen ik in 1985 bij het Gemeentevervoerbedrijf solliciteerde bleek het een pré dat ik het kleurkatern over lijn 16 van voor naar achter kende – al werd het bedrijf daarin nog zo genadeloos op de pijnbank gelegd. De werkelijkheid bleek in de vijf jaar dat ik daar werkte trouwens nog veel erger dan het onthutsende beeld dat Gerard van Westerloo schetste. Mijn eerste kennismaking met hem dateerde overigens van de voetbalvelden. Als katholieke middenstandszoon uit De Pijp bezocht hij natuurlijk het Ignatius College en voetbalde hij net als ik bij RKAVIC. Ik herinner me hem als een balvaardige, maar al wel wat te zware speler.

De banden werden weer wat aangehaald toen Jannetje, mijn toenmalige echtgenote, begin jaren tachtig voor VN een reportage over overspannen leraren schreef en vervolgens uitgenodigd werd om tot de redactie toe te treden. Gerard was haar leermeester, die de groep van het kleurkatern tot grote hoogten dreef, al waren ook voor VN de gouden jaren zeventig voorbij. In een overlijdensadvertentie heeft de redactie van VN een treffend citaat uit De pont van kwart over zeven opgenomen:

De mensen aan boord hebben hun vaste plek weer opgezocht en volbrengen de overtocht zwijgend.

Dan reppen ze zich naar huis.

Na het avondeten zetten ze de tv aan. De politicus die daarop het woord voert verstaan ze niet.

Dat is nog niet het ergste. Erger nog is dat de politicus die het woord voert niet begrijpt dat hij hún taal allang niet meer verstaat.

Bangarage

Een late nazaat van deze pontgangers stuurde de deelraadsleden vorige week een mailtje over de Bangarage. Voor een goed begrip: in 1989 stelde de gemeenteraad een bestemmingsplan vast, dat het mogelijk maakte om op de plaats van de oude Volvogarage in de Banstraat een hoog gebouw neer te zetten. Nadat de garage vertrokken was zag een projectontwikkelaar daar brood in. Omwonenden hadden onoverkomelijke bezwaren tegen het bouwvolume. De deelraad heeft in een reeks van jaren geprobeerd om daar de nodige meters vanaf te krijgen en zelfs het initiatief genomen tot mediation tussen buurt en projectontwikkelaar.

Alle aanpassingen van de bouwplannen hebben niet tot toenadering geleid: de omwonenden willen de huidige situatie handhaven. Dat lieten de vele insprekers in de commissievergadering Ruimte & Wonen van 9 mei dan ook in alle toonaarden weten – begeleid door het applaus van de eenmansfracties van de Vereniging Oud Zuid en Zuid- en Pijpbelangen. Wij hebben jullie gekozen, jullie zijn er toch voor de bewoners, kregen we als deelraadsleden te horen, zorg er dan ook voor dat daar niet gebouwd wordt. Het verhaal over het bouwrecht van de ontwikkelaar en de verbeteringen ten opzichte van het oude plan vonden geen weerklank.

Een klassiek dilemma waarin belangen tegen elkaar afgewogen moeten worden. Een aantal insprekers was niet erg mild over de raadsleden of wethouder De Vries, maar één mailer maakte het wel erg bont. Een bloemlezing:

  • Voor de gewone man is dit niet te vatten, er wordt niet naar zijn stem geluistert [sic] en het is dan ook kraak helder welk spelletje er gespeeld wordt.
  • Dit kan ook heel anders ingevuld worden wanneer het accent eens een keer op de wil van de buurt gelegd zou worden maar nee, het wordt ons door de strot gedrukt. Een grote schande!
  • Het lijkt wel of besluitvormers nooit leren luisteren naar de mensen waar ze eigenlijk voor werken. De kiezers dus!
  • Laten de Politici eindelijk eens hun gezond verstand gebruiken en luisteren naar de mensen in de buurt en zich niet lekker laten maken voor een succesje op persoonlijke titel. Ik vind het een grof schandaal.
  • Jullie moesten je schamen, terug naar de school banken en leren je gezonde verstand te gebruiken. U kunt eigenlijk ook geen applaus verwachten, een afstraffing wegens non prestatie zou meer op zijn plaats zijn.

Homo participans

Waar ik niet met m’n verstand bij kan is dat iemand denkt dat dit soort teksten zijn of haar standpunt versterken. Zoals de meeste van mijn collega-raadsleden ben ik wel gevoelig voor de kracht van argumenten, maar niet voor scheldtirades. De lezer weet dat ik graag citeer uit eigen werk, zo ook uit het verhaal dat ik in 1999 als voorzitter van de Vrienden van het Batrixpark bij het twintigjarig bestaan van de Stichting Overleg RAI-buurten hield over de homo participans. Daarin formuleerde ik grondregels voor het verkeer tussen overheid en burger. Voor de bewoners had ik er vijf:

  1. Als je als actieve bewoner iets wilt bereiken, dan heb je er niks aan om je gesprekspartner tegen je in het harnas te jagen – een goede belangengroep komt op voor bewoners door zaken te doen met de overheid of met anderen. Maak liever bondgenoten dan vijanden.
  2. Blijf boven de gordel opereren. Ook de actie voerende burger verwerft zich het respect van andere partijen door op een nette en zakelijke manier op te treden. Werk daarbij met argumenten en breng die op sterkte met een scheut emotie.
  3. Als je een resultaat van 90 procent behaalt, dan ben je spekkoper. Incasseer je winst en presenteer die ook als zodanig aan je achterban. Ga niet roepen dat er nog niks bereikt is en blijf evenmin gefrustreerd achter de resterende 10 procent aanjagen.
  4. Maar ook: laat je niet inpakken of in slaap sussen en je tot een tandeloze tijger maken. Blijf scherp en vraag steeds weer aandacht voor je standpunten. Frappez toujours! is het motto.
  5. Ik heb als wethouder ooit met de stichting MAO te maken gehad, dat stond voor Mooie Apollolaan en Omgeving, en ik had de sterke indruk dat als Berlage op aarde terug zou keren hij van die stichting te horen zou krijgen: u hebt weliswaar het Plan Zuid ontworpen, maar er niks van begrepen – dat hebben wij pas gedaan. Dus speciaal voor Amsterdam-Zuid: hou het cynisme en de superioriteitsgevoelens in bedwang, voel je niet bij voorbaat al beter dan die bestuurder of ambtenaar. Je bent heus niet per definitie een minkukel als je kiest voor een loopbaan als deelraadsbestuurder of –ambtenaar.

Circusdieren

Nu ik toch met de oogst van de afgelopen weken bezig ben: de deelraadsleden zijn dagenlang bestookt met honderden mails van mensen die vonden dat er geen wilde dieren in circussen op mogen treden. Ook tegen deze initiatiefnemers zou ik willen zeggen dat dit nu het schoolvoorbeeld van een contraproductieve actie is, omdat het vooral tot irritatie bij de ongewilde ontvangers leidt. Daardoor ben ik niet eens toegekomen aan de portee van hun mailbericht, maar kreeg ik allerlei dwarse fantasieën over het zelfbeschikkingsrecht van circusdieren. Volgende keer graag wat anders verzinnen.

Meningen

Tot slot werd mij maandagavond in de fractievergadering de vraag voorgelegd wat ik van preventief fouilleren vond. Nu heb ik over van alles en nog wat een mening, maar daarover niet. De Grote Roerganger, Hans van Mierlo, heeft daar ooit eens heel treffend over gezegd (De Tijd, 13-09-1985):

Als je al die partijleiders over alles meningen hoort geven denk ik: wat een fantastisch vermogen op al die gebieden à l’instant alle meningen te hebben. Ik heb over ontzettend veel zaken helemaal geen mening. Omdat ik er niet over heb nagedacht.

Hoewel niet zo’n Van Mierlo-adept, voel ik me hier als Vrije Radicaal door aangesproken. De fractie is gewaarschuwd: misschien heb ik wel eens vaker ergens geen mening over.

Ambtenaar als sluitstuk begroting

11 mei, 2012 door hermanwals

Schrappen ze in Rotterdam 2.450 arbeidsplaatsen bij de gemeente – dan kunnen wij hier in Amsterdam niet achterblijven. Zo stel ik me de redenering van VVD-wethouder Van der Burg voor, die prompt Het Parool (op 4 mei) liet schrijven dat er in Amsterdam veel meer ambtenaren per duizend inwoners werken dan in elf andere 140.000-plus gemeenten. Hij wil graag een einde maken aan die misstand. Volgens mij worden er een paar zaken door elkaar heen gehaald en dat liet ik Het Parool weten in een ingezonden brief (geplaatst op 8 mei):

De kop ‘Ambtenaren kosten stad fortuin’ (Het Parool van 4 mei) vertelt maar een deel van het verhaal. Want die ambtenaren kosten de gemeente niet alleen geld, ze doen er ook nog iets voor. En als zij dat niet doen, dan moet de stad daar externe krachten voor inhuren of dat werk uitbesteden. Zo staat Amsterdam erom bekend dat het nog betrekkelijk veel uitvoerende ambtenaren in dienst heeft voor de afvalinzameling of het groenonderhoud, terwijl andere gemeenten dat ‘op de markt zetten’. Om een goede vergelijking met die andere gemeenten te maken moeten alle kosten voor een bepaalde overheidstaak in kaart gebracht worden, zowel de uitgaven voor ambtenaren als die voor wat buiten de deur besteed wordt.  Als wethouder Van der Burg fors wil bezuinigen moet hij dus aangeven welke taken hij minder of helemaal niet meer door de gemeente wil laten verrichten. Daarna kan uitgerekend worden hoeveel geld daarmee bezuinigd wordt – en wat de bewoners daarvan merken.

Buitelen

De dag na het Parool-bericht buitelden de gemeenteraadsfracties over elkaar heen om te vertellen hoeveel ambtenaren zij wel niet zouden gaan lozen, met D66 en VVD voorop: 1.500 ambtenaren eruit – en de VVD zag zelfs de 3.500 ontslagen gloren. Nu is Amsterdam in de loop van de jaren al vele duizenden ambtenaren kwijtgeraakt door verzelfstandigingen. De kosten bleven dan overigens wel op de gemeentebegroting drukken. En het management van de verzelfstandigde onderdelen hoorde je nooit klagen over hun salarissen, bonussen en leaseauto’s.

Treurig genoeg luidt de simpele redenering van onze gemeenteraad: we hebben een tekort op de begroting en als we nu maar genoeg ambtenaren ontslaan komen we op nul uit. De macro-economische implicaties laat ik graag over aan de mensen die daarvoor doorgestudeerd hebben, maar het is volstrekt onduidelijk of dit überhaupt tot besparingen bij de gemeente gaat leiden, of dat de kosten op een andere manier weer terugkomen. Want zoals iedereen die al wat langer in deze wereld rondloopt weet: het is maar al te vaak een illusie dat het op de markt zetten tot lagere kosten leidt.

Het stellen van de juiste vragen behoort tot de essentiële onderdelen van de politiek. Alleen Groen Links en SP hebben er in dit dossier blijk van gegeven over deze vaardigheid te beschikken. Fractievoorzitter Laurens Ivens van de SP:

Het doel moet zijn te besparen op de kosten van de gemeente. Niet om ambtenaren eruit te smijten.

En Marco de Goede van Groen Links wil eerst een debat over de taken die de gemeente zelf wil blijven uitvoeren.

Daarna kunnen we bepalen hoeveel mensen we nodig hebben.

Toekomstvisie

Wat ik dus mis in de verhalen van de andere raadsfracties en van wethouder Van der Burg (nota bene geen wethouder Financiën maar Personeelszaken) is een visie op de toekomst van de gemeentelijke organisatie en de criteria die daaruit voortvloeien voor wat de gemeente wel of niet in eigen huis wil laten doen. Om een handje te helpen: in Uitbesteden, regisseren of zelf doen (1999) gaf ik als voorbeeld:

  • Publieks- en communicatiefuncties en dergelijke vormen het visitekaartje van de overheid.
  • De gemeentelijke organisatie dient voldoende ‘historische’ en actuele kennis van de lokale situatie te hebben.
  • Bestuurlijke advisering dient door eigen medewerkers plaats te vinden.
  • Datzelfde geldt voor de ambtenaren die rechtstreeks contacten met bewoners hebben.
  • De uitvoering van bij wet voorgeschreven taken dan wel regelgeving en handhaving.
  • De voorbeeldfunctie als werkgever.
  • Doelgroepenbeleid (al begint dat weer wat uit de mode te raken).
  • Niet afhankelijk worden van adviesbureaus.

Natuurlijk vind ik niet dat een gemeente in alle gevallen alles zelf moet kunnen doen. Uitbesteden komt in de volgende gevallen in beeld:

  • Piekwerkzaamheden.
  • Specialismen.
  • Kapitaalintensieve productiemethoden waarvan de investering niet terugverdiend kan worden.
  • De prijs/kwaliteitverhouding staat in een wanverhouding ten opzichte van wat de markt kan leveren.
  • Makkelijker controle op kwaliteit en snelheid van een levering.
  • Personele sores liggen bij de opdrachtnemer.
  • Het in huis halen van kennis die daar voorheen nog niet beschikbaar was.
  • Om het denken te helpen structureren (dus als een externe blik verhelderend kan werken).
  • Slecht nieuws brengen.

Ballade

Van een gemeenteraad als de Amsterdamse mag ik toch verwachten dat bezuinigingen op een rationele manier ingevuld worden, vanuit een coherente visie op de eigen organisatie, en dat dat niet ontaardt in een wedstrijdje wie de meeste ambtenaren weg kan strepen.

Eric van der Burg heeft ondertussen de smaak te pakken gekregen en verkondigt nu in VNG-verband dat de ambtenaren volgend jaar wel een procent van hun salaris in kunnen leveren. ‘Werken bij de gemeente is leuk,’ aldus deze wethouder Personeelszaken from hell. De ABVA-KABO pruttelt tegen, maar de Amsterdamse ambtenaren houden zich opvallend stil. Ze mogen van mij wel wat strijdlustiger zijn en een voorbeeld nemen aan wat de dichter Anton van Duinkerken in de jaren dertig met zijn Ballade van den katholiek deed. Laat ze er trots voor uitkomen: Daarom meneer, noem ik mij Ambtenaar!

De Apollolaan (V) – Michael van Gessel

8 mei, 2012 door hermanwals

Eindelijk nadert de ontknoping. Het was D66-duo-raadslid Arnoud-Jan Pennink die een uitweg wees door met terugwerkende kracht een programma van eisen voor de middenberm op te stellen. Ik nam dat over in een nota, die op voldoende steun in de raad kon rekenen. Van Eyck was het langzamerhand zo zat, dat hij liet weten geen brood te zien in dat PvE omdat hij zijn werk al gedaan had.

Ik informeerde naar een ontwerper die affiniteit had met Berlages gedachtegoed. Op advies van groenontwerper Annie Adema (in 2006 overleden) viel de keuze op Michael van Gessel van bureau B+B – toen een rijzende ster en inmiddels één van de meest gerenommeerde landschapsarchitecten van Nederland. Een paar jaar geleden ben ik met landschapsontwerper Josselin Bakker in Apeldoorn naar een oeuvre-expositie over Michael (en Patrick McGabe) geweest. Daar kwam ik onder de indruk van de manier waarop hij van de genius loci uitgaat. Dat vormt voor mij ook de kracht van zijn ontwerp voor de Apollolaan.

Michael heeft heel wat te verduren gekregen van Fluks, die hem publiekelijk de grond intrapte en hem als een dilettant wegzette. Vlak voordat de eerste deelraadsperiode verstreek, hebben we er dan toch zijn plan doorheen kunnen slepen. Bijna twintig jaar na de aanleg is Michaels ontwerp voor de Apollolaan nog steeds overeind gebleven. Hij heeft iets aan de Apollolaan toegevoegd in plaats van de bebouwing te willen verslaan, zoals Van Eyck probeerde. Als ik er langs loop of fiets blijft het me na al die tijd een tevreden gevoel geven. Dat er een pril initiatief is om ook de Minervalaan van een ontwerp van de hand van Michael van Gessel te voorzien stemt nog meer tevreden.

Drie wijze lessen

In september 2009 startte bij de Academie van Bouwkunst een cursus voor de Haarlemse stedenbouwers & ontwerpers. Toen het mijn beurt was om over het beslissende ontwerpmoment te vertellen, koos ik voor de vier jaar durende kwestie Apollolaan. Met drie wijze lessen: (1) de inrichting van de openbare ruimte moet afgestemd zijn op de stedenbouwkundige en architectonische omgeving (‘context’ in jargon), (2) laat bewoners nooit meeontwerpen (maar verzamel wel in een eerdere fase hun meningen en wensen, zodat de ontwerper daarmee aan de gang kan gaan) en (3) laat nooit een architect een ontwerp voor de openbare ruimte maken.

Ambtenaar als wegwerpartikel

5 mei, 2012 door hermanwals

De lach die PvdA-wethouder Jantine Kriens in de Volkskrant (van 26 april) tevoorschijn tovert  is bijna net zo breed als het pakket bezuinigingen dat ze de Rotterdamse gemeenteraad voorschotelt omvangrijk is. De pineut is de ambtelijke organisatie, waar 2.450 banen geschrapt worden. Dit onder het motto dat de burgers niet willen dat de overheid alles voor ze regelt. Met zo’n PvdA-wethouder kan de VVD rustig achterover leunen. Kriens:

Begraven en cremeren, waarom doen we dat zelf? We hebben 61 man in dienst bij begraafplaatsen en crematoria. Daar verdienen we zelfs geld mee, maar we zijn niet op aarde om winst te maken. Als wendbare organisatie wil je die taken niet. Graffiti verwijderen? Kun je uitbesteden. Beter: laat het bewoners doen en geef ze een budgetje.

Ook worden 350 van de 450 straatvegers met een handicap wegbezuinigd, want: ‘met betere machines kan je met minder personeel toe’. Hier zijn zoveel ideologische veren afgeschud, dat er een kaalgeplukte overheid resteert. Maar het is misschien ook wat veel gevraagd van een sociaal-democratische wethouder om de eigen ambtenaren enig respect toe te dragen, laat staan waardering…

Hoe anders ging het er dertig jaar geleden in de stadsdeelraad Amsterdam-Noord aan toe. Daar voerde de PvdA een ‘deprivatiseringsbeleid’ en eiste dat álle overheidstaken door ambtenaren uitgevoerd zouden worden. Zo kon het gebeuren dat ik aan mijn collega’s in het dagelijks bestuur (naast D66 2 PvdA, 1 CPN, 1 CDA) moest verantwoorden waarom een asfalteringsklus uitbesteed werd en de mannen van de afdeling Wegen dat niet zelf deden.

De twee A-factoren

In mijn zwerftocht als adviseur langs allerlei Nederlandse gemeenten ben ik genuanceerd gaan denken over het vraagstuk wat de overheid aan kennis en vaardigheden in eigen huis zou moeten hebben. Dat leidde in 1999 tot een initiatiefvoorstel voor de stadsdeelraad Oud-Zuid: Uitbesteden, regisseren of zelf doen: de kwaliteit van de stadsdeelorganisatie. De kernboodschap daarvan was:

Marktwerking kan voor de gemeente nooit een doel zijn, maar is altijd een middel: om een hoger voorzieningenniveau te kunnen bieden, om de sturingsmogelijkheden van de lokale overheid te vergroten of om tijdelijke kennis of capaciteit in huis te halen waar de gemeente niet zelf over beschikt. Bij de toets uitbesteden of zelf doen willen we naast de drie K-factoren, kosten, kwaliteit en kennis, nu ook de twee A-factoren introduceren: afhankelijkheid en affiniteit. Zorg ervoor dat je als lokale overheid nooit afhankelijk wordt van externe adviseurs en interims. En werk met mensen die affiniteit hebben met het stadsdeel, dat wil zeggen met het werk en met het gebied.

Blinde verheerlijking

Wethouder Kriens geeft er geen blijk van dat ze een eigentijdse visie op de rol en de taken van de overheid heeft. Bovendien zijn haar opvattingen nou niet bepaald Spekman-proof. In de Vrij Nederland van 29 april gaat de nieuwe PvdA-voorzitter niet alleen de bonusjagers, maar ook het marktfetisjisme in zijn partij te lijf:

Het maakt duidelijk dat we al twintig jaar lang niet weten wat we met marktwerking aan moeten. Dat is al zo sinds we met de VVD en D66 zijn gaan samenwerken in Paars. Ik begrijp best dat toen werd gedacht: we moeten iets doen tegen de bureaucratie bij de overheid. Maar het leidde tot blinde verheerlijking van de vrije markt. Ook de PvdA dacht dat marktwerking de kip met de gouden eieren was. We hebben veel te weinig oog gehad voor de schaduwzijden.

Voor de Rotterdamse ambtenaren is het te hopen dat de functioneringsgesprekken van Hans Spekman met de Rotterdamse PvdA-wethouders nog op tijd komen, voordat ze met duizenden bij het oud vuil neergezet worden.

De Apollolaan (IV) – Dittrich & Ten Have

2 mei, 2012 door hermanwals

Als je de regels uit de verslagen van de stadsdeelraad van begin jaren negentig telde zou de Apollobuurt alleen al meer dan veertig procent in beslag nemen. Van mijn eigen partij hoefde ik niet veel steun in het conflict met Fluks & Van Eyck te verwachten. De fractie vond dat je niet tegen zo’n beroemde architect in moest gaan: Aldo van Eyck, dat was een naam… Fractievoorzitter Boris Dittrich probeerde zijn blazoen schoon te houden. In mijn afscheidstoespraak als wethouder zei ik over de wat koele relatie met Boris:

Ik denk dat de D66-fractie in Zuid de afgelopen vier jaar beter had kunnen functioneren als ze niet te maken had gehad met zowel een prima donna als een dualistisch ingestelde wethouder – om over andere kwalen nog maar te zwijgen. De alom beleden bestuurlijke vernieuwing werd bij ons te vaak vertaald in het openlijk laten zien dat we het onderling met elkaar oneens waren.

De prima donna zoekt het hogerop en wil de Tweede Kamer in. Het is wel te hopen dat hij daar wat minder tobberig wordt. Maandenlang kreeg ik hem ongeveer twee keer in de week bezorgd aan de telefoon met de stereotiepe mededeling:

Judithj Fluks heeft me gebeld en ze is des duivels op je!

Doorgaans betrof het dan het al dan niet dragen van een stropdas, de kleur van mijn overhemden, mijn oogopslag, de postbezorging of mijn weigering om deze hogepriesteres van de Berlage-cultus de ‘Parel van Plan Zuid’ te noemen.

Fluksia’s

Een andere luis in de pels was de hoofdstedelijke wethouder en partijgenoot Ten Have, die voor de volle honderd procent achter Fluks stond. Dat ging zover dat toen zij een bloemetjesplantactie op de Apollolaan hield onder het motto ‘dit willen de bewoners’, hij daar demonstratief aan meedeed. Voordat de pers me benaderd had werd ik al gebeld door D66-afdelingsvoorzitter Nico Kamphorst met het klemmende verzoek om niets te zeggen. Ik beloofde dat te doen als Ten Have zijn excuses aanbood. Omdat die uitbleven heb ik precies verteld wat ik van hem en van deze actie vond. Ook Ten Have kon niet ontbreken in mijn afscheidstoespraak:

Dan heb ik het de afgelopen jaren een aantal keren beroepshalve oneens mogen zijn met de stedelijke collega-wethouder Ten Have. Deze bleek daar niet van gediend. Dat culmineerde erin dat hij op een zondag vanuit de Jordaan naar de Apollolaan afreisde, om daar demonstratief zogenaamde fluksia’s te planten. Ik reageerde eerst kwaad met het uitspreken van het vermoeden dat het om

een kamikaze-actie van een door verkiezingskoorts bevangen politiek warhoofd

ging. Al zijn de omgangsvormen in onze partij wat minder dan ze onder beschaafde mensen zouden moeten zijn, we weten onze meningen wel degelijk heel precies onder woorden te brengen.

Na het zorgvuldig bestuderen van de foto’s die van de plantactie gemaakt zijn, moet ik mijn harde woorden aan Ten Haves adres intrekken. Het is duidelijk dat hij het niet zelf was, maar dat het om een goed gelijkende replica ging. Zo te zien werd deze dubbelganger gespeeld door Kees van Kooten. Een hele geruststelling, want ik had geen dag langer lid willen blijven van een partij die zich laat vertegenwoordigen door een wethouder die op andermans grondgebied en ook nog eens voor z’n plezier fluksia’s plant. Maar het is wel een veeg teken dat Kees van Kooten Ten Have beter speelt dan dat Ten Have dat zelf doet.

Wat is voetbal nog in deze stad?

29 april, 2012 door hermanwals

Mag ik het nog één keer over voetbal hebben? Dan beloof ik dat het de volgende keer weer gewoon over de Apollolaan of over erfpacht gaat. Aanleiding is een prachtige elftalfoto in Het Parool van DWS, landskampioen in het seizoen 1963-1964 – na het jaar daarvoor uit de eerste divisie gepromoveerd te zijn. In m’n herinnering speelde Frits Flinkevleugel rechtsback, maar volgens de foto was dat nog Joop de Jong. Het betonnen centrale duo in de verdediging bestond uit Rinus Israël en Daan Schrijvers. Spits Frans Geurtsen was twee seizoenen op rij topscorer van de eredivisie. Middenvelder Joop Burgers kwam ik later bij de gemeente Haarlem tegen, waar hij werkte als een tamelijk chagrijnige stratenmaker – en dat kon ik wel begrijpen als je in je jonge jaren voor stadions met 65.000 mensen gespeeld had.

Al eerder legde ik uit dat er voor een jongetje uit Amsterdam-West maar één club bestond: DWS, dat zijn wortels in de Spaarndammerbuurt had. Tot op de dag van vandaag is Ajax voor mij de club van Amsterdam-Oost gebleven, een deel van de stad waar ik niets mee had. Dan bezat Amsterdam in de jaren zestig nog twee andere betaald voetbalclubs: Blauw-Wit en de Volewijckers – de trots van Amsterdam-Noord. Nadat DWS begon af te glijden volgde in 1972 een fusie van deze drie verenigingen tot FC Amsterdam, waar op een gegeven ogenblik, om recent Haags jargon te gebruiken, de stekker uitgetrokken werd omdat het publiek wegbleef – niet onlogisch bij een bedachte club.

Vrije val

De aanleiding voor het bericht in Het Parool was treurig:  na jaren in de top van het amateurvoetbal meegedraaid te hebben is DWS in een vrije val terecht gekomen. De vereniging dreigt nu uit de derde klasse te degraderen. Er is een mix van verklaringen: het verdwijnen van de oorspronkelijke achterban, de weinig animerende omgeving van sportpark Spieringhorn, de geringe clubbinding van spelers die voor een paar tientjes meer van vereniging naar vereniging zwerven, de vergrijzing van het kader, het onvermogen om allochtone spelers en hun ouders voor het clubleven te interesseren, …

Dat speelt niet alleen DWS parten, maar nog vele andere Amsterdamse voetbalclubs. Daar komt bij dat ze concurreren met andere tijdsbestedingen of met meer individuele sporten. De moderne Amsterdammer wil sporten als het hem of haar uitkomt en houdt niet van de discipline van het sporten in verenigingsverband. Volgens de dienst Onderzoek & Statistiek van de gemeente waren de meest beoefende sporten in 2009 fitness (32 procent van de sporters), zwemmen (15), trimmen, hardlopen, joggen (13) en dan pas kwam voetbal met 12 procent.

In Het Parool stond laatst te lezen dat het hele amateurvoetbal in Amsterdam het moeilijk heeft. In 1997 waren er nog 97 verenigingen, nu zijn dat er 65 en naar verwachting neemt dat de komende tien jaar verder af tot vijftig… Districtsmanager van West I Guus Posthumus:

Dat zijn sterke, vitale verenigingen die ruimte hebben voor meerdere doelgroepen, zoals meisjes en 45-plussers. (…) Er zijn veel kleine clubs. Wij hopen dat clubs, die een tekort aan vrijwilligers hebben en andere problemen, hun sentimenten loslaten en met andere verenigingen praten om de handen ineen te slaan.

Zat-16

In mijn jeugd was het ondenkbaar dat je aan een andere sport deed dan voetbal – al was je als wielrenner in ieder geval geen aansteller. Maar tennis, hockey, roeien behoorden tot een andere wereld. Bij mijn favoriete DWS heb ik nooit gespeeld. Als leerling van het Ignatius College kwam je vrijwel automatisch op RKAVIC terecht, de Rooms Katholieke Amsterdamse Voetbal Vereniging Ignatius College, door tegenstanders nog wel eens verbasterd tot Reykjavik en voor ons gewoon vik.

De club werd groot door drie elkaar versterkende bewegingen: de leerlingen van het Ig, de bewoners van de Amstelveense nieuwbouwwijk Bankras-Kostverloren én de studenten van Uilenstede. Toen ik in de jaren zeventig in een vriendenteam ging spelen werden we zat-16, maar een dergelijk aantal teams is nu ondenkbaar. Ook vik heeft het de laatste vijftien jaar moeilijk gekregen: de band met het Ig is doorgesneden, de jaren zeventigwijk vergrijsd en er voetballen blijkbaar ook minder studenten. Om financieel overeind te blijven werden er delen van het terrein verkocht aan de nabij gelegen fitness club, die wél succes boekte.

50-plus

De laatste jaren van m’n voetbalcarrière bij vik speelde ik in het veteranenteam. Ik had niet zo’n zin meer om achter jongens van 18 aan te rennen – hoe leuk zij dat misschien zelf ook mochten vinden. Toen dat veteranenteam opgedoekt werd heb ik, op voorspraak van Jos Gadet, nog een jaartje bij TABA op sportpark Drieburg gespeeld. Ons uit oude en jonge babyboomers bestaande elftal kon moeiteloos de opstelling van DWS in het kampioensseizoen oplepelen, maar leed de ene na de andere grote nederlaag tegen teams van rond de 35 jaar. Ontspannen een balletje trappen was er niet meer bij – en zo ben ik gestopt met voetbal. Maar ik mis het nog steeds en zodra er een competitie voor 50-plussers komt stap ik het veld weer in.

Een paar jaar voor m’n afscheid speelden we in Amsterdam-Noord uit tegen DWV, oftewel De Wilde Varkens, te onderscheiden van De Wilde Stieren (ook wel Dikke Wijven Stinken). Het was een koude, miezerige zaterdagmiddag. Ik zette op sportpark Elzenhagen m’n fiets neer en stapte de kantine binnen. De sigarettenrook was om te snijden, het rook naar frituurvet, de biljartballen klikten tegen elkaar en er stond een lp van Johnny Jordaan op. En ik dacht: ik ben weer thuis…

De Apollolaan (III) – Van Rooij, Blokker & Lepeltak

26 april, 2012 door hermanwals

Niet alleen in de lokale pers, maar ook in de landelijke bladen verschenen artikelen over het onrecht onze grootste levende architect aangedaan. Zo sloeg ik een keer het cultureel supplement van NRC Handelsblad open en zag daar een artikel van een halve pagina van Max van Rooy, waarin de staf over mij gebroken werd. Dat leverde gekreun op van mijn toenmalige echtgenote Jannetje, die van haar collega’s bij Vrij Nederland toch al zoveel te verduren had als het thema deelraad aan de orde kwam. Ik schreef de volgende brief naar de NRC:

Max van Rooy heeft, in het cultureel supplement van 11 januari, wel erg veel woorden nodig om zoiets nietigs als een stadsdeelraadswethouder op zijn plaats te zetten. In zijn requisitor Een palenwoud tegen parachutisten neemt hij het op voor het ontwerp dat Aldo van Eyck gemaakt heeft voor een ´pleinplantsoen´ op de kruising van Apollolaan en Minervalaan. De schuimbekkende reactie van Van Rooy doet vermoeden dat ik één van de laatste taboes van dit land doorbroken heb: het afwijzen van een geesteskind van Van Eyck.

Van Rooys verdediging zit simpel in elkaar: het is een goed plan omdat het van Van Eyck is. Bezwaren tegen de inpasbaarheid wijst hij van de hand. Immers, de bebouwing rond het plein lijkt volgens hem toch nergens naar. Omdat het een rotzooitje is, moet de deelraad Van Eyck nemen en zich verder nergens mee bemoeien. Maar, Van Rooy, dát is toch geen argument.

Nog meer ergert Van Rooy zich aan ´het zwarte, dreigende paaltjeswoud´ langs alle stoepranden. Daar kan ik inkomen. Fraai zijn die paaltjes niet echt, maar ze staan er met volledige instemming van de stichting Mooie Apollolaan en Omgeving – om te voorkomen dat de bezoekers van het casino en de Kersentuin de hele omgeving inclusief het plantsoen vol parkeren.

Nu deze zaak tot nationale proporties dreigt uit te groeien, wil ik graag benadrukken dat Van Eyck mogelijk een geniaal ontwerp geleverd heeft, maar dat hij hierbij helaas geen rekening heeft gehouden met de omgeving. In de woorden van Van Rooy: ´het is een creatie die op zichzelf staat´.

Dat is dan ook de kern van de bezwaren van de bewoners. Die moeten bijvoorbeeld niets hebben van een ´transparant scherm van gekleurde, dunne palen´, dat bestaat uit 140 palen van 2,40 meter hoog, geplaatst op een tot 1,40 meter oplopende terp, waar het te midden van het langsrazende autoverkeer weinig aangenaam verblijven zal zijn. De laan is mooi zoals hij nu is, zeggen de bewoners: groen, open, overzichtelijk. Daarom stelde ik voor om een niet omstreden, betaalbaar en goed passend ontwerp te kiezen, namelijk de oorspronkelijke inrichting uit de jaren dertig, die geheel in de stijl van Berlages Plan Zuid is.

Luistert er eindelijk een lokaal politicus naar argumenten van bewoners, is het weer niet goed. Van Rooy stampt ze met plezier de grond in, dat ’stel schreeuwlelijken´, die ´haag van ongemotiveerd kabaal van een paar toevallige in de buurt wonende burgers die wars zijn van elk professioneel advies´. Het is duidelijk: Van Rooy heeft het wel op Van Eyck, maar niet op bewoners – vooral niet als ze er een eigen mening op na houden.

Waarheid over een das

Maar ook Bas Blokker weerde zich in NRC Handelsblad. Fluks had een gesprek gearrangeerd met de directeur van Zwitserleven, toen nog aan het Apolloplantsoen gevestigd. Het ging over sponsoring en collega-wethouder Richard Ronteltap (VVD) ging mee, want Fluks behoorde tot zijn parochie (voor het overige heb ik nooit enige steun van mijn collega-wethouders gekregen: het was mijn probleem en dat hielden ze graag zo). Het werd een stroef gesprek, omdat de directeur niet toe wilde zeggen dat hij de ontbrekende drie ton zou lappen, maar wel garanties wenste voor het onderhoud van de middenberm.

Wat later verscheen er een artikel van Bas Blokker in NRC, waarin stond dat ik de Zwitserleven-directeur geschoffeerd had door zonder stropdas bij hem te verschijnen. Het werd weer tijd om achter de typemachine te kruipen:

In een nieuwe poging om het beslissende bewijs te leveren van de perfiditeit van de Amsterdamse stadsdelen heeft NRC Handelsblad een ‘inspraakguerrilla aan de Apollolaan’ ontdekt. Hoewel vrijwel iedere regel van het stukje om tegenspraak vraagt, beperk ik me ter illustratie tot het apocriefe verhaal over het door mij afschrikken van sponsors ‘zonder een das om te hebben’.

Op 12 juli 1990 zaten in het Zwitserleven-kantoor aan de Apollolaan bij elkaar: de zakenman, de buurtactiviste, twee wethouders (een mét en een zónder stropdas) en de ambtenaar. De vraag was hoeveel geld de sponsors voor het opknappen van het groen op de laan over hadden – niet om de zakenman af te schrikken, maar omdat een bestuur zonder die kennis geen opdracht kan geven om een ontwerp uit te voeren. ’s Avonds belde de activiste geschokt de fractievoorzitter van D66 op. Zijn wethouder had de zakenman geschoffeerd door zonder das te verschijnen en dat was heel, heel erg. Verschrikkelijk zelfs. De fractievoorzitter belde mij meteen weer op. Welnee, luidde mijn reactie, ik droeg wél een das (als D66-er weet ik me immers in elke situatie correct te kleden), maar mijn collega inderdaad niet. Dat deelde de fractievoorzitter vervolgens weer mee aan de buurtactiviste: onze Wethouder droeg een Das! Het bleef even stil, toen klonk het venijnig door de telefoon: ‘hij had wel een roze overhemd aan’ – maar dat vond de fractievoorzitter nu toevallig helemaal niet erg.

De  brief werd gepubliceerd, maar Blokker liet niets van zich horen. Nadat Jannetje overstapte naar NRC vertelde ik nog ongeveer één keer per jaar hoe weinig dapper ik dat vond, maar iets aan haar lichaamstaal zei me dan dat ze het geen geschikt gespreksonderwerp vond. Naar aanleiding van de brief werd ik overigens door het NOS-radioprogramma Weldenkende mensen benaderd met het verzoek of ik de tekst voor wilde lezen in hun etiquetterubriek.

Ambtenaar

Maar het bontst maakte De Telegraaf het, waarin ik keer op keer fungeerde in het Stan Huygensjournaal. Nu werden die stukjes geschreven door ene Thomas Lepeltak, die als Apollolaanbewoner in het stichtingsbestuur van MAO zat. Ik herinner me mijn optreden op een bestuursvergadering van MAO, waar hij met andere sigarenrokers Fluks secondeerde. Lepeltak vroeg me wat ik voorafgaand aan het wethouderschap gedaan had. Toen ik antwoordde dat ik ambtenaar was geweest, steeg er een bulderend gelach op. Ik schreef eerst Lepeltak en toen zijn hoofdredacteur, dat journalist en actievoerder me een vreemde vermenging van functies leek. Er kwam nooit een reactie.

Vervolgens stapte ik naar de Raad voor de Journalistiek, waar me een koele ontvangst ten deel viel. De Telegraaf vertoonde zich niet. Ik werd uiteindelijk in het ongelijk gesteld: als publiek persoon moest je maar tegen wat smaad kunnen. Inmiddels was ik al een tijdje wethouder-af, dus niet interessant meer voor Lepeltaks kolommen, maar hij slaagde er toch nog in om me één keer erin te frommelen – toen VVD’er Edgar Peer vertelde waarom hij in de politiek was gegaan.

Politieke gekte

Ook schijn ik in de memoires van Lepeltak te fungeren, dus doe ik via deze weg graag wat terug. Omdat De Telegraaf ingezonden brieven van mijn hand niet publiceerde ontruk ik er hier één aan de vergetelheid.

Het is vererend dat ik in mijn wethoudersperiode in Amsterdam-Zuid nu voor de zevende keer in het Stan Huygens-journaal op mag treden – een aantal, waar zelfs een burgemeester van Amsterdam zich niet voor hoeft te schamen. Net als de voorgaande keren kost het evenwel moeite om in het verhaal iets te ontdekken, dat op waarheid berust.

Zo treft mij het verwijt dat ik niet verschenen ben op het partijtje dat psychiater Robert Fluks voor ‘zijn lieve vrouw’ gaf, toen zij begiftigd werd met de Gouden Speld van de gemeente Amsterdam. De verklaring voor mijn afwezigheid is simpel: mij bereikte geen uitnodiging.

Dat ik niet met mevrouw Fluks wens te praten of dat ik van de stichting Mooie Apollolaan en Omgeving (MAO) heb geëist dat zij een andere voorzitter of woordvoerster nam, is bezijden alle waarheid. Wel heb ik in een gesprek met het stichtingsbestuur de vraag geopperd of het, als mevrouw Fluks onpasselijk werd van mijn verschijning, niet verstandig was om een ander bestuurslid de contacten met mij te laten onderhouden.

Ook de vermelding dat ik de superieuren van de opsteller van het Stan Huygens-journaal gevraagd zou hebben om hem het schrijven te verbieden, raakt kant noch wal. Wél heb ik bedoelde superieuren de vraag voorgelegd of zij het correct vonden dat deze journalist, die in zijn privéleven als bestuurslid van de stichting MAO een vete met mij meent te hebben, dit via de krantenkolommen van zijn werkgever uit denkt te kunnen vechten. Helaas heb ik hier nooit een fatsoenlijk antwoord op mogen ontvangen. De enige reactie die ik kreeg bestond uit nieuwe smadelijke stukjes in het Stan Huygens-journaal.

Tot slot wordt, na een smakelijke beschrijving van mijn karakterologische defecten, als eindoordeel de kwalificatie ‘politieke gek’ geveld. De gekte blijkt te bestaan uit een verschil van mening dat ik als bestuurder heb met een aantal bewoners van de Apollolaan. Omdat dergelijke onenigheden in de bestuurlijke praktijk van alledag gemeengoed zijn, zou dat betekenen dat vrijwel alle wethouders in dit land last van politieke gekte hebben. Als het Stan Huygens-journaal daar onverhoopt gelijk in mocht hebben, moeten we dat maar als een Geuzennaam dragen.

Toon Weerts † Ageeth Scherphuis

23 april, 2012 door hermanwals

Het voelt bizar wanneer iemand komt te overlijden met wie je een paar weken daarvoor nog aan de vergadertafel hebt gezeten. Toon Weerts was al een tijd ernstig ziek, maar bleef tot het einde toe actief in de PvdA-deelraadsfractie. In de vorige periode was hij fractievoorzitter in Zuideramstel – een sympathieke, opgewekte man die met een overduidelijk Brabantse tongval zijn afkomst niet verloochende. In het Parool las ik dat hij ook nog gemeenteraadslid in Vierlingsbeek is geweest.

We deelden de afgelopen zes jaar de commissie Ruimte & Wonen. Als ik die jaren overzie hebben we eigenlijk weinig samen aangepakt, maar dat komt naar ik vermoed doordat de PvdA op een heel andere manier naar de stad kijkt dan D66. Toon kon heel gepassioneerde betogen houden, maar dan eerder over de noodzaak van sociale woningbouw dan over de door ons zo hartstochtelijk beleden ruimtelijke kwaliteit van de bebouwing.

Afgelopen jaar ontbrak Toon een lange periode in de raadszaal door de behandeling die hij moest ondergaan. Daarna nam hij zijn plaats weer in en vertelde open over zijn gezondheidstoestand. Wrang dat zo’n prettig mens toch op een relatief jonge leeftijd door een nare ziekte achterhaald is.

Aristocratisch

Ageeth Scherphuis was in mijn jeugd als televisieomroepster een bekende persoonlijkheid – maar voor de rond-de-40 collega’s op mijn werk volledig onbekend, zoals me van de week bleek. Later werd ze collega van Jannetje bij Vrij Nederland – een stijlvolle vrouw met een welhaast aristocratische uitstraling. Met al haar vriendelijkheid behoorde ze wel duidelijk tot een andere generatie, zodat de afstand bleef. In die periode werd het door haar gepropageerde feminisme allerminst geassocieerd met een zorgvuldig geklede verschijning zoals Ageeth, wat dat betreft trok ze zich weinig van stereotypen aan.

Een mooie herinnering aan haar vis ik uit mijn deelraaddagboek van 18 juli 1990:

Jannetje vertelde dat Ageeth Scherphuis in de redactievergadering voorstelde een verhaal over deelraden te maken. Ze had in het Parool over een Herman Wals gelezen en die… toenemend gelach. Toen Ageeth ophield vertelde Jannetje dat die HW haar echtgenoot was.

De Apollolaan (II) – Van Eyck

20 april, 2012 door hermanwals

Aldo van Eyck (1918 – 1999) werd ‘internationaal vaak als belangrijkste architect van Nederland gezien’ (de Volkskrant, 28 april 2005). Maar er zijn opvallend weinig ontwerpen van hem uitgevoerd, mede doordat hij zich niet erg geliefd probeerde te maken bij opdrachtgevers. Naar mijn bescheiden mening is Van Eyck een zwaar overschatte architect. Het beroemde Burgerweeshuis was inderdaad een bijzonder gebouw, maar in functioneel opzicht onder de maat. Het gebouw Tripolis, dat er aan de Amstelveenseweg naast staat, het laatste ontwerp dat bij zijn leven uit is gevoerd, ziet er niet uit. Van Eycks ontwerpstijl met zijn kleinschaligheid en menselijke maat past in de verfoeilijke kneuterige woonerfcultuur, die in de jaren zeventig Nederland overwoekerde. Als dat dan ook nog opgeblazen wordt naar een megaformaat is het resultaat desastreus.

Op 9 oktober 1990 hield de deelraad een informatiebijeenkomst in het Apollohotel, waar Van Eyck zijn ontwerp voor de Apollolaan gloedvol verdedigde. Maar aan het eind van de avond bleek bij een meningspeiling dat de overgrote meerderheid van de aanwezigen herstel van de oorspronkelijke situatie wenste. Zij voelden niets voor het plan van Van Eyck. Hun belangrijkste bezwaar richtte zich tegen de inpasbaarheid. Van Eycks ontwerp zou geen rekening houden met het karakter van de rest van de buurt. Dat sloeg vooral op de tot maximaal 1,40 meter oplopende verhoging van het plein én het daar nog eens bovenop geplaatste, veelkleurige scherm van 140 palen van 2,40 meter hoog.

Statement

Wat me vooral bezighield was de vraag waarom het stenige ontwerp van Van Eyck op die plek misstond. Ik bedacht dat architecten met een ego als het zijne zich niet voegen naar de omgeving, maar een statement willen maken. De Apollolaan was evenwel van zichzelf al zo sterk dat dat daar helemaal niet nodig was. Van Eyck had de concurrentie met de bebouwing helemaal niet aan moeten gaan.

Met sectorhoofd Stadsdeelwerken Maarten Egmond ben ik een keer op bezoek geweest bij Van Eyck in zijn kantoor op het Entrepotdok. Zijn vrouw Hannie bejegende ons ronduit vijandig, hij was wel aanspreekbaar. En at met zijn assistenten spritsen bij de thee – of pennywafels, daar wil ik vanaf zijn. Wat me erg aansprak was dat Van Eyck al denkend schetste of al schetsend dacht. We waren elkaar aardig genaderd, maar een dag of wat later kwam er een vernietigende brief binnen. De hand van Hannie van Eyck, dacht ik.

Reputatie

De deelraad was niet zo dapper om tegen Fluks in te gaan en het plan van Van Eyck af te schieten, maar de fracties wilden het nu ook weer niet goedkeuren. Fluks organiseerde haar lobby met veel energie. Gerenommeerde architecten begonnen adhesiebetuigingen naar het stadsdeel te sturen. Architect en D66-lid Edo Spier belde me om te waarschuwen voor het ronselen van zijn collega’s. In het Hiltonhotel vond een symposium plaats ter ere van het ontwerp van Van Eyck, die zelf uitgebreid aan het woord kwam. Toen ik in de discussie het woord nam, probeerde de voorzitter me enthousiast af te zeiken. In een ingezonden brief aan Het Parool schreef ik:

Om terug te komen op de vraag over het al dan niet mogen afwijzen van het ontwerp van een gerenommeerd architect – die beantwoord ik bevestigend. Als bewoners duidelijke en steekhoudende argumenten aandragen waarom een ontwerp niet past in hun woonomgeving, dan mag en dan moet dat. Als ik van mening was, dat je in zo´n geval niet naar bewoners moet luisteren, was ik waarschijnlijk niet de politiek ingegaan. We leggen, om het zwart-wit te stellen, geen reputatie maar een plein aan. En het zijn de omwonenden die daar tot in lengte van dagen tegenaan moeten kijken.

Han Lammers & de overheidsfundamentalist

17 april, 2012 door hermanwals

Eén van de verzamelingen die ik aan heb gelegd draagt als etiket ‘Han Lammers’. Dat zit zo: ergens in 1982 moest ik een zaal vol boze mannen van de Stadsreiniging toespreken, die helemaal geen zin hadden om naar de deelraad Noord over te gaan. Daarbij was ook een medewerker van het projectbureau Binnengemeentelijke Decentralisatie aanwezig, Johan Stuij, die blijkbaar vond dat ik een lesje in nederigheid nodig had. Hij vroeg me of ik het verhaal kende van Han Lammers, die van een directeur van Publieke Werken te horen kreeg: ‘wethouder, u bent slechts een incident in het bestaan van de dienst’.

Amateurs

In de loop van de jaren heb ik die anekdote in allerlei vormen langs zien komen en er tientallen voorbeelden van opgeschreven. Een heel oude variant trof ik aan bij de sociaal-democraat P.L. Tak, die in 1907 schreef:

Er zijn in het gemeentebestuur onderwerpen van louter technischen aard, waar menschen die niet juist in dat vak van techniek zich hebben ontwikkeld, niet bij kunnen. Decentralisatie van beheer dringt zich op als eene noodzakelijkheid. En feitelijk is deze decentralisatie reeds enigermate aanwezig, want in groote technische vraagstukken spreekt de niet deskundige wethouder namens het evenmin deskundige college van dagelijksch bestuur eenvoudig de woorden van den technischen voorlichter, die naar den nog bijna algemeene regel achter de coulissen blijft of in het souffleurshokje.

Job Cohen kende dus zijn klassieken, toen hij zich in 2009 tegen de commissie die het echec van de Noord-Zuidlijn onderzocht verweerde met: ‘we zijn uiteindelijk allemaal amateurs’.

De omgekeerde weg bewandelde in de jaren negentig van de negentiende eeuw de radicale wethouder Treub, die na het ontslag van de zwakke directeur van Publieke Werken, maandenlang eerst ’s ochtends naar de dienst ging om daar orde op zaken te stellen, om vervolgens in de middag naar het stadhuis over te steken. Maar hij behoorde tot de uitzonderingen.

Kraken

Oud-topambtenaar Roel Bekker diende zestien ministers en vier premiers en is tegenwoordig hoogleraar bijzondere arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Leiden. In zijn boek Marathonlopers rond het Binnenhof signaleert hij een groeiende kloof tussen de op duurinspanning ingestelde ambtenaren én politici – die hem steeds meer aan sprinters doen denken. Dat komt onder andere door hun grote gerichtheid op de media en de daar weer mee samenhangende gevoeligheid voor incidenten. De ambtelijke wereld wordt steeds voorzichtiger, welhaast timide en keert zich naar binnen. Bekker in een interview in de Volkskrant:

In het regeerakkoord wordt de ambtelijke dienst als een kostenpost gezien, iets waarvan je er het liefst zo weinig mogelijk hebt. Dat erodeert het gezag van ambtenaren en ook de lol om er te werken. Het vergroot het cynisme en vermindert het lef om je nek uit te steken als topambtenaar. Er bestaat de kans dat zich ineens alle pijlen op jou richten. Je krijgt indekgedrag: dingen worden vastgelegd. Je hebt toch maar een dossiertje voor het geval er een parlementaire enquête komt. Dan kun je laten zien dat de minister wel op de hoogte was. Als er geen honderd procent vertrouwen is tussen twee systemen die onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, dan gaat het kraken.

Wegsnijden

Zowel NRC Handelsblad als de Volkskrant noemen deze ontwikkeling in een redactioneel commentaar verontrustend. Immers, de overheid kan niet zonder specifieke deskundigheid (NRC), sterker nog: zonder ambtenaren gaat het niet (Volkskrant). Op gemeentelijk niveau is deze discussie zeer herkenbaar. De waardering voor individuele ambtenaren is misschien nog best hoog, maar voor de ambtenaar als soort behoorlijk laag. En niet alleen rechtse colleges hebben daar het patent op, getuige het gemak waarmee gemeenten van allerhande signatuur praten over het wegsnijden van honderden formatieplaatsen.

Zoals ik wel eens eerder beweerd heb (zie De Ambtenaar heeft zijn plicht gedaan (de Ambtenaar kan gaan), Out of the box en De Zeven Kwalen van de publieke sector) doen al die ambtenaren iets, daar gaan we voor het gemak tenminste maar even van uit, dus de juiste volgorde zou moeten zijn dat het gemeentebestuur eerst vertelt welke taken minder of

niet meer gedaan moeten worden. Daarna kan uitgerekend worden hoeveel formatie daarmee gemoeid is.

De wegsnij-benadering is mij bovendien te eendimensionaal, omdat ze het belang van een deskundige en gemotiveerde ambtelijke organisatie ontkent. Zo heb ik zelf bewust en met volle overtuiging voor de overheid gekozen. Ik probeer een bijdrage te leveren aan een goed functionerende samenleving en aan een hogere kwaliteit van de stad waar ik voor werk. Wat ambtenaren te bieden hebben is kennis van hun vak, kennis van de stad en kennis van de politiek & de organisatie en bovendien hebben ze hart voor die stad.

Blind vertrouwen

De keerzijde van de geringe populariteit waarin ambtenaren zich mogen verheugen is het blinde vertrouwen in marktpartijen. Zelf heb ik dagelijks met projectontwikkelaars en aannemers te maken. Het zijn over het algemeen correcte, harde en zakelijk ingestelde mensen, die naar winstmaximalisatie streven en dat geld moet dan bij de overheid vandaan komen. Dat is op zich geen punt als de overheid in staat is om deskundig tegenspel te bieden, beter nog: om het spel naar haar hand te zetten.

Het meest extreme voorbeeld dat ik heb meegemaakt van een marktfundamentalist was deelraadwethouder Ronteltap (VVD) in de jaren negentig in stadsdeel Zuid. Hij introduceerde het fenomeen van De Opdrachtgever, dat wil zeggen: het stadsdeel moest in zijn opvattingen één opdrachtgever hebben, die voor van alles en nog wat de markt aan het werk zette. Opdracht geven kon je in zijn opvatting los van de inhoud doen, want het was een kunstje dat je overal op toe kon passen: je geeft een opdracht en na een jaar of wat word je gevraagd om de opening te komen verrichten.

Temmen

In de dagelijkse praktijk kost een aanbestedingsinstrument als design & construct, dat op dit geloof gebaseerd is, vooral bij ingewikkelde of maatschappelijk omstreden situaties, de overheid handenvol geld. Geld dat bespaard had kunnen worden als die overheid de regie zelf in handen had genomen – waarbij ik meteen erken dat regie bovenaan staat in de top tien van meest misbruikte en inhoudsloze woorden in overheidsland.

Om nog een stap verder te gaan: de markt is niet de oplossing, maar het probleem –  dat wil zeggen het op te lossen probleem is het temmen van de marktpartijen, zodat ze geen ongebreidelde winsten behalen ten koste van de samenleving. Daarom moet de overheid ervoor zorgen dat ze de kennis in huis heeft om de markt het hoofd te bieden. En zo heb ik me in het bestek van één blog tot overheidsfundamentalist ontwikkeld…

Wethouder stoort

Terug naar de verhouding tussen bestuur en ambtenaren. Vroeger heb ik geleerd dat de politiek het wat bepaalde en de ambtelijke organisatie het hoe. Met Maarten Egmond, het sectorhoofd Stadsdeelwerken in Zuid, sprak ik af: als jij de mannen aan het werk krijgt en houdt, dan neem ik de raad wel voor m’n rekening.

Ambtenaren zijn zeer gebaat bij sterke, duidelijke, heldere wethouders. En die wethouders op hun beurt bij deskundige en krachtige ambtenaren, die marktpartijen tegenspel kunnen bieden op basis van hun kennis van zaken. Waar ik me wel iets bij voor kan stellen is dat wethouders het als onprettig ervaren wanneer een ambtenaar ze voortdurend vertelt wat ze wel of niet moeten vinden of doen. Een gezonde middenweg lijkt me dat de organisatie aan het bestuur aangeeft wat de consequenties zijn van een voorgenomen besluit, inclusief het benoemen van alternatieven en van randvoorwaarden. Het is aan de politiek om daarna de beslissing te nemen.

Mijn favoriete Lammers-anekdote speelt zich trouwens in het Hilversum van de jaren dertig af. Een wethouder loopt binnen bij stadsarchitect Dudok, die van zijn tekentafel opkijkt en hem toevoegt: ‘U stoort, ik ben aan het ontwerpen’.