Marx als voorgerecht, Marx als hoofdgerecht en Marx als nagerecht. De studie politicologie aan de Universiteit van Amsterdam vertoonde in de jaren zeventig alle kenmerken van een eentonig menu. Alles draaide om Vader Marx en zijn eniggeboren zoon Lenin, om Gerard van het Reve te citeren. Achteraf gezien had ik beter naar de TU Delft kunnen gaan, maar ik was nu eenmaal aangeraakt door het maatschappelijk rumoer en de betoverende sfeer in het Amsterdam van de jaren zestig en dacht met politicologie nog een slag verder te kunnen komen. Niet dus.
Verdinglijking
Ik was zo’n beetje de enige Amsterdammer in het gezelschap van zo’n honderd eerstejaarsstudenten en dan ook nog één uit een volksbuurt. De rest kwam voor mijn gevoel uit villadorpen en kon van linksigheid bijna niet uit z’n ogen kijken. Sommigen oefenden zich druk in plat praten om maar zo arbeideristisch mogelijk uit de hoek te komen. Zelf was ik al opgegroeid in de katholieke geloofstraditie en had geen enkele behoefte aan een plaatsvervangend soort godsdienst die aanspraak maakte op de absolute waarheid. Sinds de kabouterzomer van 1970 voelde ik me thuis in een anarchistisch getint liberalisme – of een liberaal getint anarchisme, daar wil ik vanaf zijn. Maar ik zag in ieder geval graag dat de verbeelding aan de macht was.
Vanaf dag één werden we ondergedompeld in beroerd uit het Duits vertaalde dikke boeken met hele kleine lettertjes van de Socialistiese Uitgeverij Nijmegen. Zelf viel ik bij de tweede keer ‘verdinglijking’ in slaap, maar mijn medestudenten verorberden het marxistische manna met gretigheid. Bloedserieus, kritiekloos en met grimmigheid voorspelden ze met wetenschappelijke zekerheid de ineenstorting van het kapitalisme. Totalitaire regimes van communistische signatuur werden toegejuicht. Andere politieke opvattingen de grond in geboord. Het minste verwijt dat je dan kon treffen was dat je een ‘vals bewustzijn’ had – door de radicale feministen opgepikt en getransformeerd in ‘alle vrouwen zijn lesbies, behalve zij die het nog niet weten’.
Basis en bovenbouw
In plaats van dat de docenten enig tegenwicht boden, heulden ze volop mee. Ze hielpen mee de zogeheten confrontatiestudie te bevechten op de voorgaande generatie wetenschappelijk medewerkers: de blijkbaar dominerende Amerikaanse, behavioristische stroming moest gecompenseerd worden met flink wat marxistisch-leninistische lectuur. Niet veel later had onverdraagzaam links de macht in handen en was er geen behoefte meer aan confrontatie met andersluidende opvattingen.
Omdat ik toen ook al wat dwarse trekjes had leverde ik een keer bij docent Connie van der Maesen een tentamenlijst in zonder enige marxistisch meesterwerk. Ze ontplofte. Na lange en taaie onderhandelingen heb ik Basis en bovenbouw. Het ideologieprobleem bij Lukács en Korsch van Franz Jakubowski aan de lijst toegevoegd. Het bivakkeert nog steeds hier ergens in een boekenkast en er staat voorin geschreven dat ik er geen letter van geloofde. Geniet u even mee van de slotalinea:
Het marxisties humanisme is dus een radikale kritiek van de burgerlijke ideologie en haar materiële grondslag; het heft de vervreemding op in het denken, de theorie. Maar tegelijk is het uitdrukking en middel van een radikale omwenteling van de maatschappelijke verhoudingen, die de vervreemding ook prakties opheft. ‘Radikaal zijn’, zegt Marx, ‘is de zaak bij de wortel aanvatten. De wortel voor de mens is echter de mens zelf.’
Onwrikbaar
Met wetenschap had dit alles niets te maken. Wetenschap hoort nieuwsgierig te zijn, vragen te stellen, twijfel toe te laten – en niet de onwrikbare zekerheid van het eigen gelijk voorop te stellen. Toen mijn gewezen schoonzusje Rinskje eind jaren tachtig politicologie ging studeren aan de UvA, bleek ze nog met dezelfde marxistische rimram doodgegooid te worden – de activisten uit mijn studietijd bezetten nu de posten van het wetenschappelijk personeel en hielden hun eigen ideologisch reservaat in stand. Rinskje koos toen net als zus Jannetje voor een studie Nederlands.
Eigenlijk had ik ook acuut moeten overstappen op een studie die wél hout sneed, maar op mijn middelbare schoolritme stampte ik door naar het kandidaats en besloot toen maar om het netjes af te maken. Ondertussen genoot ik van een mooie studententijd: een leuke vriendin aan de middelbare school overgehouden, veel film, muziek & theater en dan voetbalde ik ook nog eens dag en nacht. En dat alles op een beurs van klassenvijand Shell, waar mijn vader werkte. Dat ik daar niet mee zat vergrootte mijn populariteit bij de medestudenten niet.
Meinderts gelijk
De aanleiding voor deze overpeinzingen vormt het vertrek van Meindert Fennema als hoogleraar aan de UvA. Begin jaren zeventig was hij één van de voormannen van de linkse studentenbeweging. Vandaar dat ik met belangstelling zijn afscheidsinterviews gelezen heb. Hij vertelde lid te zijn geworden van de CPN omdat hij structuur en beschutting nodig had. Tot het bittere einde, het opheffingsjaar 1989, was hij bij die club gebleven. Uit de interviews komt niet het beeld naar voren van een man die spijt heeft, maar in een ingezonden brief in NRC Handelsblad schrijft hij dan toch: ‘Ik ben pas op latere leeftijd democraat geworden’ en ‘Het is waar: ik was lid van een internationale beweging van massamoordenaars’. Maar de indruk die overheerst is dat Fennema net als veertig jaar geleden nog steeds vindt dat hij gelijk heeft, al is het een ander gelijk dan toen…
Het klinkt niet erg mild, maar ik ben sinds m’n studietijd wantrouwen blijven koesteren tegen al dan niet belijdende (ex-)communisten. Mensen die vonden dat een beetje onderdrukking niet uitmaakt als de zuivere ideologische lijn maar gevolgd wordt. Hoe kun je ooit vertrouwen in iemand stellen die geheel uit vrije wil een totalitaire levensbeschouwing aangehangen heeft? Mij lukt het niet.
