Intro
Op 1 april 2009 organiseerde het platform D66 Economen i.o. haar eerste debat. Wietske Eveleens van Servicepoint MKB en Roel Masselink van Platform Zelfstandig Ondernemers spraken met de aanwezigen over de opkomst van het ZZP-schap (al meer dan 1 milioen) in Nederland, de achterliggende oorzaken en knelpunten in beleid en arbeidsmarkt.
Anita Vink schreef, mede op basis van bovenstaande discussie, het volgende betoog. Dit betoog is in verkorte versie verschenen in IDEE, het wetenschappelijk tijdschrift van D66.
De ZZP’er is in opkomst, en dreigt de sociale verhoudingen in Nederland volledig op de schop te gooien. Dat is althans de angst van CDA en PvdA, de verzuilde partijen die vrezen dat de Zelfstandige Zonder Personeel het poldermodel omver gaat werpen. Gevolg is dat deze nieuwe ondernemers buiten elk overleg worden gehouden, en Nederland nog steeds vast blijft zitten in traditionele verhoudingen en een ‘van 9 tot 5-cultuur’. Ook voor veel gewone werknemers die flexibeler willen werken is dit model beklemmend. Aan D66 de taak het confessionele systeem van werkgever en werknemer open te breken, en onze arbeidsmarkt klaar te stomen voor de toekomst.
De invoering van de 8-urige werkdag was een verworvenheid voor een land waar ooit kinderen van tien jaar oud al tot laat in de avond aan de lopende band stonden. De moderne samenleving vraagt echter om creatiever denken. Moderne gezinnen moeten flexwerken en/of telewerken. Yuppen willen overwerken en 8 weken door de Andes trekken. De grote werkgevers zijn in veel situaties huiverig om dit soort wensen tot flexibel werken in te willigen, wellicht uit vrees dat daarmee de controle op werknemers verloren gaat. En dat leidt tot een sterke toename in het aantal mensen dat besluit op eigen risico en in hun eigen tijd hun talenten kunnen verkopen. Dit type ZZPer noemt zichzelf graag “ flexibel professional” en het zijn met name deze mensen die zich in het stramien van de vaste baan niet meer thuis voelen.
Deze FP’ers geven bijna zonder uitzondering aan dat de grote vrijheid (en de mate van uitdaging) de redenen zijn om zelfstandig te gaan ondernemen. Het FP’en brengt echter ook veel risico’s met zich mee. Sociale verzekeringen zijn geen terugvaloptie mee, en minder opdrachten leidt automatisch tot minder salaris. Wie toch voor FP’en kiest, neemt deze risico’s welbewust maar is er daarmee niet immuun of onverschillig voor. Andere obstakels zijn te wijten aan de slechte vertegenwoordiging van zelfstandig ondernemers binnen ons poldermodel. Traditionele opvattingen over de rol van een arbeidsovereenkomst staan vooruitgang en verbetering van de positie van zelfstandig ondernemers in de weg. De traditionele politieke partijen en werknemers- en werkgeversvertegenwoordigers hebben weinig tot geen kennis van zelfstandig ondernemers en wat hun wensen behoeften zijn of voor hun belang op te komen. Bovendien is er weinig animo om binnen bestaande structuren het flexibel werken mogelijk te maken.
Dat er weinig kennis over zelfstandige ondernemers zonder personeel is werd onlangs onderstreept door minister Donner. De wat meer visionair ingestelde CDA’er kondigde in februari aan dat hij misschien de SER wil laten onderzoek ‘hoe het nu eigenlijk zit’ met zelfstandigen zonder personeel. PvdA en CDA vrezen dat het groeiend aantal ZZP’ers leidt tot de uitholling van het sociale stelsel in Nederland. Dit zou komen doordat deze zelfstandigen de facto geen zelfstandigen zijn, maar een soort ‘dagloners’ die hetzelfde werk doen zonder bijbehorende arbeidsrechten. Daarnaast is de klacht dat een toename van het aantal vooral FPers de werknemersverzekeringen ondermijnen: zij zijn immers de “goede risico’s” en verhogen zo de risico’s in de achterblijvende groep werknemers. Beide argumenten snijden weinig hout. Wanneer een ZZP’er steeds voor hetzelfde bedrijf werkt kan een rechter die situatie beoordelen als uitbuiting, en alsnog opgebouwde rechten toekennen. Hiervan zijn voorbeelden te over in de thuiszorg, waar inderdaad soms is gepoogd de ZZP-positie van zorgers te misbruiken.
De suggestie dat vooral de FP’ers werknemersverzekeringen uithollen is apart. Als zelfstandigen leggen inderdaad niets bij, maar ze kunnen ook geen gebruik maken van deze regelingen. Je kunt toch moeilijk vragen van mensen die bereid zijn om bij het eerste zuchtje economische tegenwind het veld te ruimen, om solidair te blijven met hen die op een vast contract de meeste malaise aan zich voorbij zien gaan. Tenslotte, als de traditionele partijen regels willen ontwikkelen om zelfstandig ondernemen tegen te gaan of hen te dwingen in collectieve regelingen te participeren, met als doel het sociale stelsel te behouden wordt een (Europees) erkend recht op vrij ondernemen aangetast.
De gebrekkige vertegenwoordiging van ZZP en FP’ers, die overigens wel steeds beter van de grond lijkt te komen, is wel een probleem voor ons overlegmodel. Op geen enkele manier wordt deze groep namelijk betrokken bij discussies die hen direct aangaan en over hun rechten en vrijheden beschikken. Donner overweegt nu weliswaar een SER-advies te vragen over deze groep, maar de SER bestaat nu juist weer uit de klassieke sociale partners: werkgevers en werknemers. Dat advies zal dus niet op veel draagvlak onder de doelgroep kunnen rekenen. In ons poldermodel is dus absoluut ruimte voor iedereen, zolang je maar past binnen de bestaande structuren.
Een tekenend voorbeeld is ook de besluitvorming over de toekomst van de AOW. Het zou logisch zijn als na een stevig Kamerdebat de volksvertegenwoordiging middels een wetswijziging het vraagstuk had opgelost. In plaats daarvan is langdurig overleg tussen PvdA en CDA nodig geweest om te concluderen wat economen (en D66) al jaren roepen: de AOW-gerechtigde leeftijd is niet houdbaar. Maar vervolgens wordt aan de SER de mogelijkheid gegeven om met een ‘alternatief’ voor verhoging van de AOW-leeftijd te komen. Alleen de bezuinigingsdoelstelling lijkt van belang en wederom wordt de toekomst van ons stelsel in handen gelegd van een paar belangengroepen die door niemand direct zijn gekozen. Of het moet zijn door de 10% ‘gewone’ werknemers die lid zijn van een vakbond. ZZP’ers en ook jongeren zaten niet aan tafel, terwijl juist voor deze groepen het AOW-vraagstuk zo precair is. Zij moeten de lasten gaan dragen, en hebben weinig zekerheid ooit zelf hun pensioen met een AOW vorm te kunnen geven. De opstelling van politiek Den Haag en de gevestigde orde is dus defensief: nieuwe arbeidsvormen zijn een bedreiging voor het stelsel, en de deur gaat dicht voor deze pioniers. Arbeid hoort in Nederland nog steeds te vallen onder een traditionele arbeidsovereenkomst en verricht te worden tussen 9 en 5. Wie anders wil wordt niets gevraagd.
In juni 2008 presenteerde de Onderzoekscommissie Arbeidsparticipatie onder leiding van Peter Bakker haar rapport “naar een Nederland dat werkt”. Tegelijk met de Commissie Arbeidsparticipatie studeerde ook de D66-commissie onder leiding van oud-Kamerlid Bert Bakker op hetzelfde vraagstuk. Beide commissies constateerden dat mensen steeds meer behoefte hebben aan het flexibel combineren van werken, leren en zorgen in verschillende fasen van hun leven. Het gaat daarbij niet alleen om het aanbod van kinderopvang, maar ook om flexibele werktijden, flexibele openingstijden van publieke dienstverleners en leven-lang-leren arrangementen. Voor Peter Bakker bleef het grotendeels bij die constateringen. Met name de D66-schaduwcommissie pleitte voor veel meer individuele ruimte om invulling te geven aan die keuzes. Toch kwamen beide commissies op dat punt met weinig concrete voorstellen.
Kern van het betoog van de D66-schaduwcommissie Bakker is dat er een enorme noodzaak is om de arbeidsproductiviteit in Nederland op te schroeven. Anders is het immers niet mogelijk de lasten van de vergrijzing en de groeiende internationale concurrentie aan te kunnen. Bakker ziet daarom meer flexibiliteit als het antwoord. Door mensen meer mogelijkheden te geven om te werken op de manier en tijden dat hen dat het beste schikt kán een toename in de arbeidsparticipatie in uren en mensen het gevolg zijn. Door de arbeid beter in te passen in de rest van ons leven zijn productiviteitsverbetering (meer productie in minder tijd) en verhoging van de kwaliteit van leven eveneens het gevolg. De boodschap moet dus ‘slimmer, flexibeler en gerichter werken’ zijn.
Bakker had natuurlijk gelijk. Maar flexibiliteit als toverwoord is niet alleen een oplossing voor een probleem, het is ook een principiële keuze. De reden dat collectivistisch denkende partijen als PvdA en CDA zich verzetten tegen groeiend individualisme in ondernemerschap heeft ook te maken met hun maatschappijvisie in elementaire zin. Een overheid die flexibel werken over de gehele linie wil faciliteren moet niet de oplossing zoeken in collectivisme, in fiscale constructies of in subsidies. Faciliteren betekent vooral belemmeringen wegnemen. Zelfstandige en flexibele werk- en ondernemers hebben langere openingstijden, minder papierwerk en betaalbare kinderopvang nodig. En ook ZZPers hebben dringend behoefte aan een bescherming tegen grote inkomensterugval, zonder hen daarmee te willen beschermen zoals werknemers worden beschermd. Principieel is ook de keuze om de alleenmacht van vakbonden en bedrijven te willen aanvullen met in ieder geval zeggenschap van deze nieuwe en groeiende groepen actieven. Dergelijke zeggenschap kan de ondernemende geest in Nederland de plaats geven die zij verdient: het individu dat risico’s durft te lopen door haar of zijn talenten zelf aan te bieden haalt het beste in zich naar boven. Dat maakt flexibiliteit niet alleen een noodzakelijke keuze in een veranderende economie, maar brengt ook het sociaal-liberale ideaal van de ontplooiing dichterbij. Goed onderwijs is de basis, maar in een wereld waar technologie en internationale arbeidsverdeling voor steeds meer nieuwe specialistische en kennisintensieve beroepen zorgen zal uiteindelijk vooral het individu verantwoordelijk moeten zijn voor het vinden en creëren van zijn eigen toegevoegde waarde.
Anita Vink is lid van het platform D66 Economen.
