Journalistiek of politiek?

1 februari, 2010 door jeroenmirck

“Opvallend veel noeste werkers in reclame, marketing en media gaan in de lokale politiek”, schrijft reclamevakblad Adformatie deze week. “Jeukt de maatschappelijke plicht? Te weinig werk? Vervelen ze zich thuis?” Ook ik sta in dat bericht, als nummer vijf op de kandidatenlijst van D66 in stadsdeel Nieuw-West. En ja, bij mij is het inderdaad die jeuk.

Zowel landelijk als op lokaal niveau staat er deze jaren politiek gezien veel op het spel. Maken we in tijden van crisis wel de juiste keuzes? Hopelijk krijgen we volgend jaar een regering met meer daadkracht en toekomstvisie. Dit jaar al draait het in Amsterdam om het oplossen van grootstedelijke problemen met onderwijs, infrastructuur, evenwichtig woonbeleid, integratie, criminaliteit en sociale cohesie. Daarbij zijn structurele oplossingen nodig, dus geen uitstelgedrag of het isoleren van allochtone bevolkingsgroepen.

(Leest allen het net verschenen boek ‘Hoezo mislukt?’ van D66-lid Frans Verhagen over het Nederlandse integratiebeleid.)

Met de gemeenteraadsverkiezingen in aantocht heb ik afgelopen najaar besloten mezelf verkiesbaar te stellen voor de deelraad van Nieuw-West. Dit stadsdeel, met ruim 130.000 inwoners, is een samenvoeging van Slotervaart, Osdorp en Geuzenveld-Slotermeer. Misschien wel meer dan elders in de hoofdstad spelen hier de echte grotestadsproblemen in verhoogde mate. Politiek gezien dus wellicht het meest interessante stadsdeel van Amsterdam.

Als D66 in Nieuw-West straks bij de verkiezingen vijf van de 29 zetels in de wacht sleept, mag ik de partij vertegenwoordigen in de deelraad. Ik ben zeer gemotiveerd om dat te gaan doen. Sommige mensen vinden dat ik me als journalist niet in de actieve politiek mag begeven. Dat vind ik een ouderwetse gedachte. Nieuws en opinie lopen steeds meer door elkaar heen. Daarbij komt dat iedereen een politieke voorkeur heeft, ook iedere journalist. Ik denk dat het eerlijker en transparanter is als je, zoals ik, nooit geheimzinnig doet over je politieke voorkeur.

Mocht ik inderdaad de actieve politiek in gaan, dan zien we tegen die tijd (begin mei) wel weer hoe zich dat verhoudt tot mijn journalistieke werk, in dit geval voor de progressieve opiniesite Joop.nl. Feit is dat ik daar juist mede vanwege mijn politieke kleur voor ben gevraagd. Het begrip ‘progressief’ reikt volgens Joop.nl van D66 tot aan de SP. Zo breed is ook de blik van de redactie. Het lidmaatschap van een politieke partij is daarbij geen enkel bezwaar.

Het mooie van de politiek is dat niet ik maar de burger bepaalt. Die beoordeelt de lokale kandidaten op hun bijdrage aan het politieke debat, maar laat zich zeker ook leiden door de landelijke prestaties van politieke partijen. Hoogleraar bestuurskunde Pieter Tops schreef dit weekend een goed opiniestuk voor NRC Handelsblad, waarin hij stelt dat sterke lokale politiek nodig is om het verschil te maken op plaatselijke problemen omtrent met name kwaliteit van onderwijs en het gedrag in de publieke ruimte. Er ligt dus een grote verantwoordelijkheid te wachten. Het jeukt!

Truttig

29 januari, 2010 door kimwesterweel

Amsterdam is niet truttig,” kopte het Parool deze week enthousiast:

“Staand op het terras een biertje drinken is verboden, maar daarmee is Amsterdam niet truttiger dan andere steden. Dat blijkt uit onderzoek van de gemeente, dat maandag naar de raad is gestuurd. ”Amsterdam is juist behoorlijk liberaal,” zegt burgemeester Job Cohen.”

Aha.

Onder de huidige, winterse omstandigheden klinkt het wellicht wat vreemd, maar toch moest ik denken aan afgelopen zomer. Meer in het bijzonder aan een briljante zomeravond. Zo eentje waarvan iedereen achteraf tegen elkaar zegt: “Mooie avond hè? Wij hebben nog úren buiten gezeten!”

Op deze prachtige zomeravond hadden wij inderdaad nog uren buiten gezeten. Op de terugweg naar huis kwamen we langs ons favoriete buurtcafé. Het was kwart voor één en het terras stond nog buiten én zat nog behoorlijk vol. Op en rond het terras hing een gemoedelijke sfeer. Zo eentje van: “Kijk ons hier nou toch eens lekker genieten, hier, op een briljante zomeravond, in Wereldstad Amsterdam.”

Een stukje verderop stond de eigenaar van het café met zijn armen over elkaar tevreden toe te kijken en we stopten even om een praatje te maken. “Tja,” zei hij. “Ik moet ze wel een beetje in de gaten houden, want voor je het weet heb je een bekeuring te pakken.” Maar ja, niemand maakte herrie en het was een briljante zomeravond.

Op dat moment liep er een buurman voorbij, met zijn hond. De buurman woonde een eind verderop, ergens waar geen terras was. “Die mensen mogen helemaal niet meer buiten zitten op dit tijdstip,” zei hij boos tegen de eigenaar. “Die hadden al lang naar binnen gemoeten.” En hij liep weer verder.

Ja, zo schiet het niet op natuurlijk.

De baas van het café haalde zijn schouders naar ons op, als om te zeggen: “Wat doe je eraan?” Toen zei hij: “Ik zal ze zo maar eens naar binnen sturen.” De briljante zomeravond was ten einde.

Nou ja, daar moest ik dus aan denken bij Cohens uitspraak dat Amsterdam niet truttig is. Waarbij ik moet zeggen dat ik best geloof dat hij gelijk heeft en dat Amsterdam inderdaad niet truttiger is dan andere wereldsteden.

Maar ja.

In de marketing leer je dat je, als bedrijf – en waarschijnlijk ook als mens trouwens – maar het beste kunt inzetten op de paar sterke punten die je hebt. Op die punten moet je in ieder geval de beste zijn én blijven, en zo trek je vanzelf die klanten – of andere mensen – waar jij geknipt voor bent. En die geknipt zijn voor jou.

Tja, als je het zo bekijkt.

De dingen die Amsterdam heeft, hebben andere wereldsteden ook, en vaak beter. Denk je mode, zeg je Parijs. Uitgaan: Londen. Creativiteit: Berlijn. En zelfs in het slecht managen van projecten als de Noord-Zuidlijn zijn we niet het beste. Daarvoor moet je naar Keulen.

Geen stad staat internationaal echter zo bekend om haar vrijheden en haar vrijgevochten burgers als Amsterdam. Kortom, hier hebben we iets unieks te pakken. En als je iets unieks te pakken hebt, dan moet je je daarin niet willen meten met anderen. Dan moet je de béste willen zijn. Dan moeten anderen zich met jóu willen meten.

Helaas is het echter zo dat vrijheid, ook in Amsterdam, zo sterk is als de zwakste schakel. Verhuizen, beste burgemeester, lijkt me dan ook de beste optie, voor u én de buurman. Gewoon verhuizen, naar een stad waar om negen uur ‘s avonds het licht netjes uitgaat.

Fietsterreur of “we worden steeds asocialer”

27 januari, 2010 door Susanne Klawer

Ik kijk uit mijn raam op de Admiralengracht en zie een hond tegen het zadel van een omgevallen fiets aan plassen. Ik open het raam om het bijbehorende hondenbaasje hierop aan te spreken.

Haar reactie: “Waarom leg je je fiets dan daar neer?” Na netjes te hebben toegelicht dat het niet mijn fiets is, dat deze waarschijnlijk door de wind om is gevallen en dat het, last but not least, niet de norm is dat je je hond tegen het zadel van andermans fiets aan laat plassen, ontsteekt zij in woede. Waar ik mij wel niet mee bemoeide…

Is het echt zo als de reclame op tv beweert, dat we met z’n allen steeds asocialer worden? Ik kan en wil het niet geloven. Ik sluit het raam en vraag me af hoe ik deze situatie beter aan had kunnen pakken.

Uit het leven gegrepen: Amsterdam kennisstad

26 januari, 2010 door Susanne Klawer

In het Concertgebouw speelde het orkest van de Vrije Universiteit op zondag 24 januari 2010 Prokofjev en Stravinsky. De opvoering was overweldigend. Ronduit fantastisch. Ik telde meer dan zestig strijkers; ook het slagwerk was goed vertegenwoordigd. In totaal waren er zeker meer dan 110 man op het podium.

Tijdens de voorstelling bedacht ik me dat dit allen studenten zijn, voor wie dit een “erbij-tje” is. Om de aansluiting tussen studie en arbeidsmarkt te verbeteren zijn zogenaamde extracurriculaire activiteiten essentieel. We moeten deze activiteiten daarom blijven stimuleren.

De studiedruk wordt almaar opgevoerd, de beurzen gekort. Natuurlijk is het belangrijk dat studenten de juiste keuze maken en niet vijf keer van studie switchen. Ook is het niet wenselijk dat studenten tien jaar over hun studie doen. Tegelijkertijd is het ontzettend belangrijk dat studenten de mogelijkheid krijgen om zich ook buiten hun studie te ontplooien; en dat daar middelen voor zijn. Bijbaan, bestuur, buitenlandervaring, orkest, organisatie van een congres: mogelijkheden zijn er te over.

Amsterdam kan toegevoegde waarde leveren binnen Europa als kennisstad. Dit kleine voorbeeld van alledag illustreert dit voornemen. Laten we daarop inzetten.

Innoveren met de kennis van toen

26 januari, 2010 door Carlien Roodink

Nu heb ik in mijn vorige blog toegegeven een cultuurbarbaar te zijn, maar dat  moet ik in dit blog alweer enigszins nuanceren. Mijn bezoeken aan het concertgebouw mogen dan minimaal zijn, als het gaat om de geschiedenis van Amsterdam ben ik bovengemiddeld geïnteresseerd.

Zo lees ik in de Canon van Amsterdam dat het Noordzeekanaal er pas na veel discussie is gekomen. Het plan voor de aanleg was mooi, maar technisch nogal lastig en de financiering zeer riskant.  De regering wenste niet mee te betalen en de Amsterdamse elite trok pas na lang aarzelen de portemonnee. In 1875 was de klus min of meer geklaard, de bedrijvigheid in de haven nam na jaren van verval weer toe en zo staat er in de Canon: “in het laatste kwart van de negentiende eeuw zou de stad, als door een toverstaf aangeraakt, op alle fronten een Tweede Gouden Eeuw beleven”.

Ook Schiphol, in vele opzichten nu de motor voor de Amsterdamse economie, kent een soortgelijke geschiedenis. Het eerste plan voor Schiphol werd in 1917 nog door de gemeenteraad weggelachen. De raad, toen nog bestaande uit louter heren, kon zich niet voorstellen dat burgervluchten veel toekomst hadden. En hadden ze met de kennis van toen ongelijk? In de jaren twintig van de vorige eeuw gingen er zelden meer dan 10 passagiers per dag de lucht in. Het overgrote deel van de vliegtuigen vervoerde vooral post. Maar al snel zou Schiphol uitgroeien tot een belangrijke Europese luchthaven.

Naast investeringen in tastbare zaken  als een kanaal en luchthaven, heeft Amsterdam lef getoond als het gaat om financiële innovaties.  Vanuit mijn beroepsmatige interesse in innovaties in betalingsverkeer heb ik mij wel eens verdiept in de oprichting van de Wisselbank in 1609, een belangrijke innovatie in die tijd. De Wisselbank had als belangrijke doelstelling het versoepelen van het betalingsverkeer met als doel de handel te bevorderen. De succesvolle Wisselbank  heeft zeker bijgedragen aan de ontwikkeling van Amsterdam als belangrijk  mondiaal financieel centrum en aan de welvaart in De Gouden Eeuw. En dat dit alles tijdelijk en vergankelijk is, weten we met de kennis van nu.

Het is natuurlijk ook mogelijk om met de kennis van nu projecten op te sommen die mislukt zijn. Maar mislukte projecten worden nu eenmaal zelden of nooit vermeld in een canon. Feit is dat beslissingen per definitie worden genomen met de kennis van het moment zelf en gepaard gaan met onzekerheden over de toekomst. Maar één zekerheid is er wel: zonder de mensen die ooit in de twaalfde eeuw het veen hebben afgegraven in het drassige gebied rondom ’t IJ om er vervolgens een dam aan te leggen had Amsterdam nooit bestaan. En met de kennis van nu weten we nog steeds niet waarom deze mensen juist deze specifieke plek hebben gekozen voor hun nederzetting.

Cultuurbarbaar en toch D66’er?

25 januari, 2010 door Carlien Roodink

Ik zal er niet om heen draaien: ik ben een cultuurbarbaar.  Zo biecht ik hier nu op slechts drie keer in mijn hele leven in het concertgebouw  te zijn geweest. En dat eigenlijk nog niet eens op eigen initiatief. Nu weet ik, onder andere uit het lijsttrekkersdebat van vorige week, dat bij andere partijen het beeld leeft, of beter gezegd andere partijen proberen het beeld uit te dragen dat D66 bestaat uit louter mensen die minimaal twee maal per week het concertgebouw bezoeken. Ik dus niet, en toch sta ik op een mooie plek vijf op de kandidatenlijst van D66 Amsterdam.

Kunst en cultuur is mij om het zo maar eens te zeggen niet met de paplepel ingegoten. De grootste doorbraak in het culturele leven van mijn ouders vond plaats toen ik een jaar of vijf oud was. Na de zoveelste verregende vakantie in Nederland besloten mijn ouders om toch maar eens de zon op te zoeken.  En zo kwam het dat wij, gezin met vijf kinderen, in een Lada met vouwwagen afreisden naar het Gardameer in Italië. Ik kan niet zeggen dat we in Italië nu echt cultureel verantwoord bezig waren. De pindakaas was uit Nederland meegenomen en ik heb goede herinneringen aan de Saroma instantpudding. Om eerlijk te zijn, we kwamen nauwelijks van de camping af want mijn moeder, in het dagelijks leven aan het werk als schoonmaakster, wilde in haar vakantie natuurlijk gewoon veel zitten.

Het culturele hoogtepunt dat ik mij herinner is een bezoek aan de markt van Verona. Niet dat we veel oog hadden voor het culturele aanbod dat deze stad te bieden heeft, veel interessanter was het om de achterzak van mijn vader in de gaten te houden, die speciaal voor dit doel een lege portemonnee bij zich had gestoken wetende dat er veel zakkenrollers actief waren. Geen cultuur, maar wel veel spanning en sensatie dus.

In de 35 jaar die sindsdien verstreken zijn, is er veel veranderd. Mijn ouders hebben inmiddels heel Europa bereisd, en zijn een aantal keren de Atlantische Oceaan overgestoken. En waar mijn ouders niet verder zijn gekomen dan de lagere school ben ik naar het gymnasium gegaan, ondanks het commentaar van mijn ouders dat dit “niets is voor mensen zoals wij”.  Inmiddels is ook deze hindernis geslecht en staat de schoolkeuze van de kleinkinderen geen moment ter discussie. Mijn vader startte als ongeschoolde fabrieksarbeider in de vleesverwerkende industrie (wij noemden het overigens gewoon slachthuis) en ik ben na een universitaire opleiding gaan werken in de financiële sector. Met als hoogtepunt, in de ogen van mijn ouders dan, een baan als directeur bij een bank. En waar mijn vader nooit linkser heeft gestemd dan CDA heb ik nooit rechtser gestemd dan D66.

Het was dit gegeven waar ik aan moest denken tijdens het lijsttrekkersdebat. We kunnen elkaar als concurrerende partijen in vakjes proberen te duwen maar als er al sprake is van een vakje, dan vallen we als politici uiteindelijk met z’n allen in hetzelfde vakje, in dezelfde subcultuur, namelijk mensen die actief zijn in de politiek. Maar het zijn niet de vakjes die ertoe doen, het is het feit we allemaal individuen zijn met verschillende achtergronden en idealen, die eigen keuzes mogen maken. En het is deze overtuiging die  mij een D66’er maakt.

Afval

25 januari, 2010 door dehliatimman

Laatst zat ik in de auto midden in de binnenstad, hartje Jordaan. Ik was op weg naar de IKEA maar lette even niet op en voordat ik het doorhad zat ik vast achter een vuilniswagen op de Elandsgracht. Er was echt niks meer aan te doen, al spoedig reed er een klein stukje file achter mij aan, ik kon met geen mogelijkheid meer achteruit om te ontsnappen. Nadat ik was bijgekomen van het gebruikelijke binnensmonds vloekmoment werd ik langzaam maar zeker via de motorkap van mijn auto met een aantal feiten geconfronteerd.

Ten eerste, vuilnisman (of vrouw) zijn is één van de belangrijkste maar tegelijkertijd ook één van de meest onaanzienlijkste beroepen die er bestaan. Het kan geen pretje zijn als die zakken niet goed zijn dichtgemaakt, waardoor halverwege de stoeprand de helft van de inhoud op straat klettert. Daarnaast hoef ik de geur die om de wagen heen hangt niet te beschrijven, ik denk dat elke Amsterdammer er zich wel iets bij kan voorstellen. Stel dat we niemand meer kunnen vinden die bereid is de hele dag andermans rommel op te ruimen. Wat zou de stad in een korte tijd aan cachet verliezen.

Ten tweede is de hoeveelheid afval die twee keer per week opgeruimd moet worden schrikbarend. De vrachtwagen met twee vuilnisjongens deed er drie kwartier over om de vuilnis van één kant van de Elandsgracht op te halen. En dat lag niet aan het werktempo van de jongens. Er liggen niet alleen belachelijk veel zakken en kartonnen dozen op de stoep, er staat ook elke tien meter ook nog zo’n kliko vuilnisbak tot de nok toe gevuld. Na drie kwartier achter de vuilniswagen te hebben gehangen was het me zo helder als glas; wij consumeren te veel. Volgens globalissues.org consumeren de rijkste 20% van de wereldbevolking 76,6% van de totale wereldconsumptie.

Dat is veel te veel. Natuurlijk zien we allemaal de economische groei graag weer op gang komen. Maar ons consumptiepatroon moet veranderen. Het moet duurzamer, slimmer en groener. Zodat we gelukkiger worden met minder.

Politiek in de huiskamer

25 januari, 2010 door jeroenmirck

Huiskamerbijeenkomst D66 Amsterdam

De afstand tussen burger en politiek is te groot, is de veelgehoorde kritiek van burgers aan het adres van diezelfde politiek. Reden voor Ageeth Telleman, lijsttrekker van D66 Amsterdam, om huiskamerbijeenkomsten te beleggen waar politiek en burger bijeenkomen om over actuele maatschappelijke onderwerpen te praten. Geen debatavonden, maar informele sessies waar iedereen aan het woord kan komen. Afgelopen donderdag kwam Telleman naar Osdorp om over onderwijs te praten, een avond die ik in goede banen mocht leiden. Het werd een heel inspirerende avond.

Lees de rest van dit bericht »

De Pintobieb moet blijven

18 januari, 2010 door yelliealkema

Donderdagavond bij de commissie welzijn was de Boekmanzaal afgeladen vol met de bewoners van de Nieuwmarkt. Ging het een maand geleden over hun buurthuis de Boomsspijker, dat in gevaar kwam door het failliet van Ysterk, deze keer was het de Pintobibliotheek die over een paar jaar moet verdwijnen.

Op voorstel van Joost Kircz die een werkgroep over de bieb had geleid moest de raadsleden maar eens vertellen wat hun band met dit onderwerp was. De mijne was meteen heel duidelijk: het principe van de buurt. Vanuit mijn betrokkenheid bij de buurten die ik heb, sinds ik voorzitter van het wijkcentrum d’Oude Stadt ben geweest, weet ik dat de Nieuwmarktbuurt een heel actieve buurt is.

In de 70′er jaren lag de buurt zwaar onder druk door de aanleg van de metro. Het toenmalige plan was om door de nieuwmarktbuurt een vierbaansweg naar het station aan te leggen, het verlengde van de Weesperstraat/Wibautstraat.

Hieruit is een actiegroep voortgekomen om de buurt te redden en met resultaat. Op de St. Anthoniebrug ongeveer bij het Pintohuis staat een standbeeld, om te herinneren dat vanaf daar de oude buurt gehandhaafd is. Het Pintohuis is het symbool van de geredde en herstelde buurt, maar nu dreigt het Pintohuis het slachtoffer te worden van de moderne terminals en grootschaligheid van de nieuwe bibliotheek aan het IJ.

Net zoals de Boomsspijker het slachtoffer dreigt te worden van Ysterk, een grootschalige welzijnsorganisatie die failliet is gegaan. Dat kan en mag niet gebeuren. De buurtvoorzieningen moeten blijven bestaan, ze hebben draagvlak, ze hebben veel vrijwilligers en er is veel persoonlijke aandacht.

Dat blijft belangrijk en is hard nodig.

Roos is boos

15 januari, 2010 door thijsbaas

Het was uiteindelijk de jonge buurtbewoonster Roos die er in een gloedvol betoog in slaagde het grote belang van de Pintohuis als ontmoetings- en kennisplek over het voetlicht te brengen. Over hoe medewerkster Liesbeth haar op het spoor van Tonke Dragt en andere favoriete schrijvers zette en over hoe ‘thuis’ ze zich voelde bij de geur van oud hout die er hing. Ze benutte daarvoor een uitgekiend moment, toen de vergadering Welzijn en Onderwijs net even geschorst werd om de commissieleden in staat te stellen om weer eens met insprekers in gesprek te gaan. In de wandelgangen – je kunt er niet vroeg genoeg bij zijn – ving ik later nog een gesprek op dat ze  had met enkele Pinto-vriendinnetjes over dat ze “anders zelf toch wel geld konden inzamelen ‘m  open te houden?”.  

Ik vrees dat het Roos niet zal lukken om uitsluitend met haar inzamelingsactie de toekomst van de bieb veilig te stellen. Ten eerste omdat de gemeente in al haar wijsheid ooit heeft besloten het eigendom, en daarmee een groot deel van de zeggenschap, uit handen te geven. Bovendien is het onhaalbaar om met een eenmalige inzameling het benodigde geld bij elkaar te krijgen. Wel raakte het betoog van Roos wat mij betreft een open zenuw van de deelraadspolitiek. Te vaak wordt uitgegaan van concepten waarin termen als haalbaarheid, doelmatigheid en, vaak in één adem, schaalvergroting de boventoon voeren.  

Fout! Het is juist die rigide benadering die er keer op keer toe leidt dat voor de veiligste, op het oog meest controleerbare en politiek haalbare optie wordt gekozen. Dat blijkt in het geval van de Pintobieb, de aan- en uitbesteding van het welzijnswerk aan Ysterk en als we niet oppassen ook bij toekomstige projecten. En dat terwijl de binnenstad van Amsterdam, en met name de Nieuwmarktbuurt een civil society an sich is, om ook het kosmopolitische karakter ervan nog maar eens te onderstrepen. Hoe moeilijk kan vraaggericht beleid zijn in een buurt waar de vragen en wensen van mensen, bij wijze van spreken, op straat liggen? Blijf dicht bij die mensen, luister naar hun behoeften en speel daar als deelraad zo adequaat en inventief mogelijk op in. Kleinschaligheid is vaak het toverwoord. 

Het voortbestaan van de Pintobieb zoals we die nu kennen kunnen ook wij helaas niet garanderen. Maar we kunnen wel beloven er alles aan te doen dat Roos over tien jaar nog altijd met veel plezier en dierbare herinneringen het Pintohuis kan bezoeken. En dat geldt uiteraard ook voor de vaste bezoekers van de Boomspijker, het Claverhuis en vele andere plekken waar jongeren, ouderen, bewoners en bezoekers elkaar treffen. Gewoon, door de menselijke maat niet uit het oog te verliezen en hand in hand met de betrokkenen op te trekken. Dat bespaart een hoop ongenoegen. En bakken vol geld.